ECLI:NL:PHR:2025:477

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
18 april 2025
Zaaknummer
22/04525
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 11 lid 2 OpiumwetArt. 427 lid 2 SvArt. 427 lid 2 sub b Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens kennelijke misslag in kwalificatie van overtreding hasjbezit

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 7,3 gram hasjiesj, een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet. Het hof legde een geheel voorwaardelijke geldboete van €250,- op met een proeftijd van twee jaar. Het cassatieberoep werd ingesteld tegen dit arrest.

De procureur-generaal stelt vast dat er een discrepantie bestaat tussen de tenlastelegging en bewezenverklaring enerzijds, en de kwalificatie en bewijsoverweging anderzijds. De tenlastelegging betrof de overtredingsvariant van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet zonder het bestanddeel opzet, terwijl het hof het bewezenverklaarde kwalificeerde als een misdrijfvariant met opzet. Deze kwalificatie wordt als een kennelijke misslag aangemerkt.

Omdat het hof slechts een geldboete van €250,- heeft opgelegd, staat op grond van artikel 427 lid 2 sub b Sv Pro geen beroep in cassatie open tegen het arrest. De conclusie van de procureur-generaal is dan ook dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep.

De conclusie benadrukt dat de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging buiten beschouwing blijft bij de ontvankelijkheidsvraag. De conclusie verwijst naar relevante jurisprudentie ter onderbouwing van deze rechtsopvatting.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens kennelijke misslag en opgelegde geldboete van €250,-.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04525
Zitting22 april 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 18 november 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (21-005059-20), voor het vervoer/aanwezig hebben van 7,3 gram hasjiesj veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft het hof een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.
1.2
Het cassatieberoep is op 2 december 2022 ingesteld namens de verdachte. A.E.M.C. Koudijs, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 11 november 2020 te [plaats] heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 7,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“op 11 november 2020 te [plaats] heeft vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 7,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”
2.3
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.”
2.4
Het bestreden arrest houdt als nadere overweging ten aanzien van het gebezigde bewijs onder meer het volgende in:
“(…) Nu bij binnenkomst in de PI diverse borden en folders te zien zijn waarop staat aangegeven dat er geen drugs meegenomen mogen worden de PI in, is het hof van oordeel dat verdachte tenminste in voorwaardelijke zin opzet had op het binnenbrengen van de hasj.”
2.5
Zoals hiervoor al aangegeven, is door het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,- opgelegd.
2.6
Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is van een discrepantie tussen de tenlastelegging en bewezenverklaring enerzijds en de bewijsoverweging en de kwalificatie anderzijds. Aan de verdachte is – en dat is ook hetgeen bewezen is verklaard – de overtredingsvariant van (onder meer) art. 3 onder Pro B Opiumwet ten laste gelegd. In de tenlastelegging ontbreekt immers het bestanddeel “opzettelijk”. [1] Het hof heeft het bewezenverklaarde echter gekwalificeerd als de misdrijfvariant van voornoemd artikel, zoals strafbaar gesteld in art. 11 lid 2 Opiumwet Pro. Die kwalificatie moet, gelet op de inhoud van de tenlastelegging en de bewezenverklaring, worden beschouwd als een kennelijke misslag (hetgeen in feite ook geldt voor de onder 2.4 weergegeven passage uit de bewijsoverweging). Het bestreden arrest dient dan ook te worden aangemerkt als een uitspraak betreffende een overtreding in de zin van art. 427 lid 2 Sv Pro. [2]
2.7
Aangezien het hof geen hogere straf heeft opgelegd dan een (geheel voorwaardelijke) geldboete van € 250,- staat op grond van art. 427 lid 2 sub b Sv Pro tegen het bestreden arrest geen beroep in cassatie open. De verdachte kan dan ook niet worden ontvangen in het namens hem ingestelde beroep. [3] Dat het bestreden arrest ook een uitspraak op een vordering tot tenuitvoerlegging bevat maakt dit niet anders, omdat een dergelijke beslissing buiten beschouwing blijft bij de beantwoording van de vraag of beroep in cassatie openstaat. [4]

3.Slotsom

3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. HR 30 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8401 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl),
2.Vgl. HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2237, rov. 2.2.
3.Vgl. HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2237, rov. 2.3.
4.HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7897, rov. 3.3,