ECLI:NL:HR:2007:BA7921

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02891/06 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake teruggave rijbewijs na onherroepelijke veroordeling

Klager had een klaagschrift ingediend bij de Rechtbank te ’s-Gravenhage met het verzoek om teruggave van zijn rijbewijs. Deze rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond. Klager stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

Uit de processtukken bleek dat de Kantonrechter op 19 september 2006 een vonnis had gewezen waarbij klager was veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Zowel klager als de Officier van Justitie hadden afstand gedaan van rechtsmiddelen, waardoor het vonnis onherroepelijk was geworden.

De Hoge Raad oordeelde dat klager daardoor geen belang meer had bij het cassatieberoep tegen de beschikking van de Rechtbank die het klaagschrift ongegrond verklaarde. Daarom werd klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. De beschikking werd uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 2 oktober 2007.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang door onherroepelijkheid van het vonnis.

Uitspraak

2 oktober 2007
Strafkamer
nr. 02891/06 B
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te ’s-Gravenhage van 19 september 2006, nummer RK 06/1961, op een beklag als bedoeld in artikel 164, achtste lid van de Wegenverkeerswet 1994, ingediend door:
[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Justitieel Complex "Koning Willem II" te Tilburg.
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft het in het door de klager ingediende klaagschrift vervatte verzoek, strekkende tot teruggave aan hem van het in bovenvermelde beschikking omschreven rijbewijs, ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager in het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank van 19 september 2006 waarbij een klaagschrift van de klager strekkende tot teruggave van zijn rijbewijs ongegrond is verklaard.
3.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een
"Aantekening mondeling vonnis", inhoudende dat de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage de klager in de strafzaak waarmee de invordering van het rijbewijs verband houdt, bij vonnis van 19 september 2006 onder meer heeft veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met aftrek overeenkomstig art. 179, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De aantekening van het mondeling vonnis houdt in dat zowel de verdachte als de Officier van Justitie afstand van rechtsmiddelen heeft gedaan, zodat voornoemd vonnis van de Kantonrechter onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat de klager geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank, zodat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2007.