ECLI:NL:HR:2007:BB1367
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Beperkte toetsing in cassatie over gezamenlijke huishouding bij Anw-uitkering
Belanghebbende verzocht om een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), welke door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) met terugwerkende kracht werd afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank en Centrale Raad werd het beroep ongegrond verklaard en de terugvordering van de uitkering gehandhaafd.
In cassatie richtte belanghebbende zich tegen het oordeel van de Centrale Raad dat zij en haar zwager een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen bepalend was voor de afwijzing van de uitkering. De Hoge Raad benadrukte dat het cassatieberoep op grond van artikel 66 lid 1 Anw Pro beperkt is tot schending of verkeerde toepassing van de genoemde wetsartikelen.
De Hoge Raad oordeelde dat de Centrale Raad geen onjuiste toepassing van het begrip gezamenlijke huishouding had gemaakt en dat de feiten en motivering niet tot cassatie konden leiden. Ook het beroep dat het herzieningsbesluit een inbreuk op het privé-leven zou vormen, werd niet als cassatiegrond aanvaard.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee werd het oordeel van de Centrale Raad bevestigd dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de terugvordering terecht was.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van de Centrale Raad bevestigd.