ECLI:NL:HR:2007:BB3193

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/045HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 HKOVArt. 8 EVRMArt. 12 lid 2 HKOVArt. 13 lid 1 HKOVArt. 20 HKOV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt teruggeleiding minderjarig kind bij internationale ontvoering ondanks worteling

De zaak betreft een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarig kind dat door de moeder naar Nederland is gebracht, terwijl het kind zijn gewone verblijfplaats in Hawaï had. De moeder stelde dat het kind inmiddels geworteld was in Nederland en dat terugkeer niet in het belang van het kind zou zijn.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken en bevestigt dat volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) de enkele omstandigheid van worteling in de nieuwe omgeving geen reden is om teruggeleiding te weigeren, tenzij meer dan een jaar is verstreken sinds de ongeoorloofde overbrenging, wat hier niet het geval was. Ook de bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden zoals bedoeld in art. 20 HKOV Pro en art. 8 EVRM Pro rechtvaardigt geen weigering van terugkeer.

De Hoge Raad verwerpt het beroep van de moeder en bevestigt de beschikking van het hof dat de afgifte van het kind aan de vader ter teruggeleiding naar Hawaï moet plaatsvinden. Hiermee wordt de internationale rechtsorde en het belang van snelle terugkeer bij internationale kinderontvoering gewaarborgd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de teruggeleiding van het kind naar Hawaï bevestigd.

Uitspraak

28 september 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/045HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Brandt,
t e g e n
De Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, handelend in haar hoedanigheid van CENTRALE AUTORITEIT, zowel voor zichzelf als mede namens [de vader], wonende te Hawaï, Verenigde Staten van Amerika,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de Centrale Autoriteit.
1. Het geding in voorgaande instanties
De Hoge Raad verwijst voor het daaraan voorafgaande verloop van dit geding naar zijn beschikking van 20 oktober 2006, nr. R06/096, RvdW 2006, 969.
Bij die beschikking heeft de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 29 juni 2006 vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de zaak op 10 januari 2007 mondeling behandeld. Bij beschikking van 7 februari 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2006 vernietigd en, opnieuw beschikkende, de afgifte door de moeder aan de vader van het minderjarige kind van partijen, [het kind], gelast ter teruggeleiding naar de plaats van haar gewone verblijf in Hawaï. Het meer of anders verzochte heeft het hof afgewezen.
De beschikking van 7 februari 2007 is aan deze beschikking gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Centrale Autoriteit heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 23 augustus 2007 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, vermeld in de eerdere beschikking van de Hoge Raad in deze zaak van 20 oktober 2006, nr. R06/096, NJ 2007, 383, en in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5-6.
3.2 Onderdeel 2 acht onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de moeder haar stelling dat [het kind] thans in Nederland geworteld is, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Uit art. 13 lid Pro 1, aanhef en onder b, en art. 12 lid 2 HKOV Pro, in samenhang bezien, volgt dat de enkele omstandigheid dat het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld alleen dan grond kan zijn tot afwijzing van een verzoek de terugkeer te gelasten, indien meer dan één jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging of achterhouding en het tijdstip van de indiening van het verzoek - hetgeen zich hier niet voordoet - alsmede dat de enkele omstandigheid dat het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld niet meebrengt dat het in een situatie dreigt te komen als bedoeld in art. 13 lid Pro 1, aanhef en onder b.
3.3 De onderdelen 3 en 4 willen de opvatting ingang doen vinden dat de omstandigheid dat [het kind] inmiddels diepgaand is geworteld in Nederland meebrengt dat terugkeer naar Hawaï niet in haar belang is en het verzoek daartoe op grond van onderscheidenlijk art. 13 lid Pro 1, aanhef en onder b, art. 20 en Pro art. 12 lid 2 HKOV Pro moet worden afgewezen.
3.4 Het beroep op art. 13 lid Pro 1, aanhef en onder b, en op art. 12 lid 2 HKOV Pro (onderdeel 3) faalt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen.
3.5.1 Ook het beroep op de weigeringsgrond van art. 20 HKOV Pro (onderdeel 4) mist doel. Die bepaling ziet op gevallen waarin wordt aangetoond dat het kind in de staat van herkomst dreigt te worden tekortgedaan in de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals deze gelden in het land van de aangezochte rechter, en de terugkeer van het kind daarom niet kan worden toegestaan. De enkele omstandigheid dat het kind, als gevolg van het feit dat het inmiddels geworteld is geraakt in het land waar het zich na de ontvoering bevindt, beter af zou zijn indien terugkeer wordt geweigerd, kan derhalve de toepassing van art. 20 HKOV Pro dan ook niet rechtvaardigen.
3.5.2 Voor zover het onderdeel wil betogen dat art. 8 EVRM Pro zich tegen de toewijzing van het verzoek tot terugkeer van [het kind] verzet, faalt het eveneens. Het bepaalde in art. 8 EVRM Pro moet in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een in de zin van art. 3 HKOV Pro ongeoorloofd overbrengen of achterhouden van een kind, worden uitgelegd in het licht van het HKOV (vgl. EHRM 25 januari 2000, NJ 2002, 239, rov. 95), hetgeen betekent dat art. 8 EVRM Pro in beginsel meebrengt dat de autoriteiten van de aangezochte staat het HKOV dienen na te leven. De enkele omstandigheid dat het kind inmiddels geworteld is geraakt in het land waar het zich na de ontvoering bevindt, is dan ook onvoldoende om de terugkeer in strijd te achten met art. 8 EVRM Pro.
3.5.3 Voor zover het onderdeel aanvoert dat art. 3 lid 1 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind aan toewijzing van het verzoek in de weg staat, mist het op de gronden, uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17, eveneens doel.
3.6 Ook de overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 september 2007.