ECLI:NL:HR:2007:BB6271

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02439/06 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 439 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelarrest Hoge Raad inzake profijtontneming uit hennepteelt en overschrijding redelijke termijn

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. De betrokkene werd door het hof veroordeeld tot betaling van een bedrag van €7.441,27 aan de Staat.

De Hoge Raad wees aanvankelijk op 9 oktober 2007 een arrest waarin het cassatieberoep werd verworpen. Later bleek dat dit arrest werd gewezen voordat de termijn van artikel 439, vijfde lid, Sv was verstreken, waardoor de Hoge Raad geen kennis had kunnen nemen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de betrokkene op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

De Hoge Raad acht dit verzuim herstelbaar en vernietigt daarom het eerdere arrest. Tevens wordt de betalingsverplichting verminderd tot €7.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Voor het overige wordt het beroep verworpen. Dit arrest herstelt het eerdere verzuim en brengt een vermindering van de opgelegde sanctie teweeg.

Uitkomst: Het arrest van 9 oktober 2007 wordt hersteld, de betalingsverplichting verminderd tot €7.000,- en het beroep voor het overige verworpen.

Uitspraak

18 december 2007
Strafkamer
nr. 02439/06 P
AH/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
tot herstel van een op 9 oktober 2007 uitgesproken arrest van de Hoge Raad (02439/06 P) gewezen op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 september 2005, nummer 22/001937-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkegen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 13 november 2003 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.441,27.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. E. Meijer, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 oktober 2007 het beroep verworpen. In dat arrest is onder meer overwogen: "Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen."
2.2. Na de uitspraak heeft de Hoge Raad kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de betrokkene op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Het arrest dat hersteld dient te worden
Als gevolg van een misslag is het arrest gewezen vóórdat de termijn als bedoeld in art. 439, vijfde lid, Sv was verstreken. Als gevolg daarvan heeft de Hoge Raad dat arrest gewezen zonder te hebben kennisgenomen van het, na de uitspraak doch binnen de hiervoor bedoelde termijn binnengekomen schriftelijk commentaar van de raadsman van de betrokkene op de conclusie van de Advocaat-Generaal. De Hoge Raad is van oordeel dat dit verzuim dient te worden hersteld. Het onderhavige arrest strekt daartoe.
4. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De betrokkene heeft op 13 oktober 2005 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet thans uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
6. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
trekt in zijn arrest van 9 oktober 2007;
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 7.000,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op
18 december 2007.