Uitspraak
[woonplaats].
18 december 2007.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. De betrokkene werd door het hof veroordeeld tot betaling van een bedrag van €7.441,27 aan de Staat.
De Hoge Raad wees aanvankelijk op 9 oktober 2007 een arrest waarin het cassatieberoep werd verworpen. Later bleek dat dit arrest werd gewezen voordat de termijn van artikel 439, vijfde lid, Sv was verstreken, waardoor de Hoge Raad geen kennis had kunnen nemen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de betrokkene op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
De Hoge Raad acht dit verzuim herstelbaar en vernietigt daarom het eerdere arrest. Tevens wordt de betalingsverplichting verminderd tot €7.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Voor het overige wordt het beroep verworpen. Dit arrest herstelt het eerdere verzuim en brengt een vermindering van de opgelegde sanctie teweeg.
Uitkomst: Het arrest van 9 oktober 2007 wordt hersteld, de betalingsverplichting verminderd tot €7.000,- en het beroep voor het overige verworpen.