ECLI:NL:HR:2007:BB7173

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10612HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.H. Beukenhorst
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
  • F.B. Bakels
  • W.D.H. Asser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep kind wegens verstrijken termijn uithuisplaatsing

In deze zaak betrof het een verzoekster, een minderjarig kind, dat onder toezicht werd gesteld door de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht. De kinderrechter had op grond van een indicatiebesluit machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting voor een bepaalde termijn.

De verzoekster stelde hoger beroep in tegen de beschikkingen van 26 april en 4 mei 2007, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing werd verleend en bekrachtigd. Het gerechtshof verklaarde haar echter niet-ontvankelijk in het hoger beroep en bekrachtigde de beschikking.

Vervolgens stelde de verzoekster beroep in cassatie in tegen deze beslissing. De Advocaat-Generaal adviseerde om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren omdat de termijn van de uithuisplaatsing inmiddels was verstreken, waardoor het belang bij cassatie was komen te vervallen.

De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep van de verzoekster niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang bij vernietiging van de beschikking. De beslissing werd genomen door de vice-president en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2007.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de termijn van uithuisplaatsing.

Uitspraak

14 december 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. 07/10612HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster],
thans verblijvende in de justitiële jeugdinrichting De Heuvelrug te Zeist,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Brandt,
t e g e n
STICHTING BUREAU JEUGDZORG UTRECHT,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de Stichting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij beschikking van 2 februari 2007 heeft de kinderrechter te Utrecht [verzoekster] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de Stichting.
Met een op 26 april 2007 ter griffie van de rechtbank Utrecht ingediend verzoekschrift heeft de Stichting zich gewend tot de kinderrechter van de rechtbank Utrecht en verzocht conform en ter effectuering van het indicatiebesluit van 16 april 2007 op grond van art. 1:261 lid 5 BW Pro een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [verzoekster] in een justitiële jeugdinrichting voor de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 26 april 2007 machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [verzoekster] in een voorziening voor crisisopvang, zonder een daartoe strekkend indicatiebesluit, met ingang van 26 april 2007 voor de duur van vier weken en de beslissing voor het overige aangehouden.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 4 mei 2007 heeft de kinderrechter machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [verzoekster] in een crisisopvang justitiële jeugdinrichting, normaal beveiligd, indien het indicatiebesluit strekt tot uithuisplaatsing, met ingang van 4 mei 2007 voor de duur van zes maanden. Voorts heeft de kinderrechter machtiging verleend tot aansluitende uithuisplaatsing van [verzoekster] in een justitiële jeugdinrichting, normaal beveiligd, als bedoeld in het indicatiebesluit van 16 april 2007, met ingang van de datum waarop de uithuisplaatsing in de voorziening voor crisisopvang, normaal beveiligd, wordt beëindigd, en dit tot 4 november 2007. Tevens heeft de kinderrechter machtiging verleend tot aansluitende uithuisplaatsing van [verzoekster] in een justitiële jeugdinrichting, beperkt beveiligd, als bedoeld in het indicatiebesluit van 16 april 2007, met ingang van de datum waarop de uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting, normaal beveiligd, wordt beëindigd, en dit tot 4 november 2007.
Tegen de beschikkingen van 26 april 2007 en 4 mei 2007 heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem.
Bij beschikking van 26 juni 2007 heeft het hof [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om de beschikking van 26 april 2007 te vernietigen en de beschikking van 4 mei 2007 bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
Bij brief van 22 oktober 2007 heeft mr. J. Bredius, advocaat te Zeist, namens [verzoekster] op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het verzoekschrift tot cassatie strekt ertoe de aangevallen beslissing ten aanzien van de beschikking van de kinderrechter van 4 mei 2007 te vernietigen. Die beslissing houdt een bekrachtiging in van de beschikking, waarin een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting is gegeven die op 4 november 2007 afliep. Nu deze termijn is verstreken, heeft [verzoekster] geen belang meer bij vernietiging van deze beslissing, zodat zij in haar beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 14 december 2007.