ECLI:NL:HR:2008:AZ8516
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Uitleg voorwaarde hoofdzakelijk buitenlands zakelijk gebruik personenauto voor BPM-vrijstelling
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam voor een Duitse werkgever, gebruikte een Duitse personenauto zowel zakelijk als privé. De Inspecteur verleende aanvankelijk een BPM-vrijstelling, maar trok deze later in en legde een naheffingsaanslag op. Het Hof vernietigde deze aanslag omdat de auto hoofdzakelijk buiten Nederland werd gebruikt.
De Hoge Raad moest de uitleg van artikel 2, lid 1, letter a, van het Uitvoeringsbesluit BPM beoordelen, waarin de voorwaarde is opgenomen dat de auto hoofdzakelijk bestemd moet zijn voor werkzaamheden buiten Nederland, met ook persoonlijk gebruik toegestaan. De Hoge Raad stelde vast dat 'hoofdzakelijk' betekent dat minimaal 70% van het zakelijke gebruik buiten Nederland moet plaatsvinden, en dat privégebruik, inclusief woon-werkverkeer en gebruik door inwonende gezinsleden, zonder beperkingen is toegestaan.
De gegevens over gereden kilometers toonden aan dat belanghebbende niet aan deze 70%-norm voldeed op het moment van het belastbare feit. Daarom was de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd. Het incidentele beroep van belanghebbende werd niet behandeld omdat het alleen aan de orde was als het principale beroep zou slagen.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.