ECLI:NL:PHR:2008:AZ8516
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg vrijstellingsvoorwaarde BPM voor buitenlandse leaseauto's van werknemers
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam als internationaal accountmanager bij een Duitse werkgever, maakte gebruik van een in Duitsland geregistreerde leaseauto. De auto werd zowel zakelijk in het buitenland als privé gebruikt. De Inspecteur verleende aanvankelijk een vrijstelling van BPM, maar trok deze later in en legde een naheffingsaanslag op.
Het Hof oordeelde dat de vrijstelling terecht werd verleend omdat de auto hoofdzakelijk zakelijk buiten Nederland werd gebruikt en privégebruik was toegestaan. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte een extra vereiste had toegevoegd dat de auto in belangrijke mate zakelijk gebruikt moest worden.
De Hoge Raad overwoog dat het criterium 'hoofdzakelijk' in artikel 2, lid 1, onderdeel a van het Uitvoeringsbesluit BPM betekent dat meer dan 50% van het zakelijke gebruik buiten Nederland moet plaatsvinden, waarbij privégebruik is toegestaan. Het Hof introduceerde ten onrechte het begrip 'in belangrijke mate', maar omdat belanghebbende aan de juiste criteria voldeed, werd het beroep van de Staatssecretaris verworpen. Tevens werd bevestigd dat de BPM-regeling niet in strijd is met het vrije verkeer van werknemers binnen de EU.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM werd vernietigd omdat belanghebbende voldeed aan de vrijstellingsvoorwaarden voor zakelijk gebruik buiten Nederland.