ECLI:NL:HR:2008:BA8179
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over navorderingstermijn en zelfincriminatie bij buitenlandse banktegoeden
In deze zaak gaat het om een navorderingsaanslag vermogensbelasting die is opgelegd aan belanghebbende voor het jaar 1998, mede gebaseerd op door hem verstrekte gegevens over een buitenlandse bankrekening. De inspecteur had deze gegevens opgevraagd in het kader van het vaststellen van de belastingschuld, waarbij belanghebbende verplicht was deze te verstrekken. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat het gebruik van deze gegevens voor het opleggen van een boete in strijd was met het recht op niet-zelfincriminatie zoals beschermd door artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie niet wordt geschonden wanneer de inspecteur gebruikmaakt van door de belastingplichtige vrijwillig verstrekte gegevens, ook al is er sprake van enige dwang door de wettelijke verplichting tot informatieverstrekking. Verder werd geoordeeld dat de navorderingstermijn van twaalf jaar voor buitenlandse banktegoeden niet in strijd is met het EG-Verdrag, ondanks de langere termijn dan de gebruikelijke vijf jaar voor binnenlandse tegoeden.
De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van de navorderingstermijn van twaalf jaar met het EG-recht, met name over de vrijheid van kapitaalverkeer en de proportionaliteit van de regeling. De zaak is geschorst in afwachting van het arrest van het Hof van Justitie.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en stelt prejudiciële vragen over de navorderingstermijn van twaalf jaar aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.