ECLI:NL:HR:2008:BB8622

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/051HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep in wijziging kinderalimentatie

De vader verzocht bij de rechtbank Amsterdam om de alimentatieverplichting voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen uit het huwelijk met de moeder met ingang van 1 februari 2005 op nihil te stellen. De rechtbank wijzigde de beschikking en stelde de alimentatie per 25 januari 2006 op nihil.

De moeder stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam, dat haar hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde voor zover het gericht was tegen het herstel van de beschikking van 25 januari 2006. De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de moeder niet tot cassatie konden leiden en verwees naar artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij geen nadere motivering nodig was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling speelden. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de moeder.

Uitspraak

1 februari 2008
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/051HR
MK/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 25 februari 2005 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft de vader zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de beschikking van de rechtbank van 22 januari 1997 te wijzigen en te bepalen dat de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk tussen partijen geboren minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2] (hierna: de kinderen) met ingang van 1 februari 2005 op nihil wordt gesteld.
De moeder heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 25 januari 2006, hersteld bij beschikking van 22 februari 2006, de beschikking van 22 januari 1997 in zoverre gewijzigd dat de door de vader te betalen bijdrage in kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum van de beschikking (25 januari 2006) op nihil wordt gesteld en bepaald dat aan de betalingsverplichting die voortvloeit uit de beslissing waarvan wijziging is verzocht, is voldaan met hetgeen tot op de datum (25 januari 2006) van de beschikking in feite is betaald.
Tegen de beschikking van 25 januari 2006, zoals hersteld bij beschikking van 22 februari 2006, heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 7 december 2006 heeft het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het herstel van de beschikking van 25 januari 2006 en de beschikking van 25 januari 2006, welke beschikking is verbeterd bij beschikking van 22 februari 2006, bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikkking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 februari 2008.