3.3 [Eiser] heeft aan zijn hiervoor in 1 weergegeven vorderingen ten grondslag gelegd dat de beëindiging van het dienstverband kennelijk onredelijk is omdat (a) aan het ontslag een valse reden ten grondslag heeft gelegen en (b) de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn, gelet op de lange duur van het dienstverband, het verband tussen de werkzaamheden en de arbeidsongeschiktheid, en het ontbreken van voorzieningen.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat het ontslag kennelijk onredelijk is, onder toekenning aan [eiser] van een bedrag van € 13.500,--. Hij overwoog daartoe, kort samengevat, dat de eerste grond voor de vordering ondeugdelijk is, maar dat de tweede standhoudt. Weliswaar is niet komen vast te staan dat [eiser] zijn aandoening door zijn werk bij Chromalloy heeft opgelopen, maar op grond van de volgende drie omstandigheden had aan [eiser] een beëindigingsvergoeding moeten worden toegekend, zodat het ontbreken daarvan de opzegging kennelijk onredelijk maakt: (i) niet is gebleken dat Chromalloy in de periode november 2000 t/m februari 2001 alles eraan heeft gedaan om de arbeidstherapeutische plaatsing tot een succes te maken, (ii) door een ongelukkige passage in de toestemmingsaanvraag met betrekking tot de weigering van een passende functie is aan [eiser] meer leed in het vervolgtraject toegevoegd dan nodig was geweest, en (iii) [eiser] moet, gelet op zijn leeftijd, arbeidsverleden en opleiding als kansarm op de arbeidsmarkt worden beschouwd.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] principaal beroep ingesteld en Chromalloy incidenteel beroep. In het principale beroep overwoog het hof onder meer dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat van een valse reden voor het ontslag geen sprake is, omdat voldoende vaststaat dat [eiser] niet (meer) in staat was zijn eigen werkzaamheden te verrichten en omdat geen andere passende functie bij Chromalloy aanwezig was die [eiser] nog wel zou kunnen vervullen (rov. 4.5.2). De omstandigheid dat de astmatische aandoening van [eiser] een blijvende ongeschiktheid voor (passend) werk bij Chromalloy oplevert, is voldoende grond om aan te nemen dat het verwijt dat Chromalloy onvoldoende reïntegratiepogingen heeft gedaan, geen hout snijdt. Voorts is geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat voor [eiser] geen geschikte (andere) functies voorhanden waren (rov. 4.5.4). In het incidentele beroep heeft het hof de drie omstandigheden onderzocht die de kantonrechter ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Wat de hiervoor onder (i) genoemde omstandigheid betreft achtte het hof het, gegeven het uitgangspunt dat [eiser] bij Chromalloy voor geen enkele functie in de productie in aanmerking komt, weinig reëel te eisen dat Chromalloy reïntegratie-inspanningen zou verrichten (rov. 4.6.2). Ten aanzien van de hiervoor onder (ii) genoemde omstandigheden oordeelde het hof dat Chromalloy dienaangaande geen verwijt valt te maken en dat niet valt in te zien dat zij het standpunt dat [eiser] had geweigerd passende arbeid te verrichten, niet in redelijkheid kon innemen (rov. 4.6.4). Ten aanzien van de door de kantonrechter aan zijn oordeel ten grondslag gelegde reden (iii) stelde het hof eerst vast dat Chromalloy met name aandacht heeft gevraagd voor het ontbreken van causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van [eiser] en de door deze in dienst van Chromalloy verrichte werkzaamheden, de door Chromalloy gedane inspanningen om [eiser] passend werk te bezorgen en haar verslechterde financiële positie (rov. 4.6.5). Vervolgens overwoog het hof:
"Nu aldus het oordeel van de kantonrechter op dit punt niet wordt bestreden, zal ook het hof uitgaan van de beperkte kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt.
4.7. Naar het oordeel van het hof leiden al deze omstandigheden in onderlinge samenhang en verband beschouwd niet tot het oordeel dat het aan [eiser] gegeven ontslag als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Daarbij neemt het hof tevens als uitgangspunt dat de enkele omstandigheid dat [eiser] na een langdurig dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid wordt ontslagen op zichzelf beschouwd geen grond oplevert voor het toekennen van een vergoeding. Nu verder Chromalloy geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid, noch van het voortduren daarvan, noch van het niet kunnen inpassen op productieve wijze van [eiser] in haar bedrijf, valt niet goed in te zien waarom het ontslag om andere redenen kennelijk onredelijk zou moeten worden geacht. Het feit dat [eiser] gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, en gezien zijn leeftijd in combinatie met opleiding en ervaring betrekkelijk weinig kansen op de arbeidsmarkt heeft, maakt dat niet anders."