ECLI:NL:HR:2008:BC2332

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02495/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 184 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid van aanhouding ondanks latere vrijspraak

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 29 januari 2008 uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van een aanhouding door ambtenaren. De verdachte had beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het centrale punt was of een latere vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging impliceert dat de aanhouding destijds niet rechtmatig was.

De Hoge Raad overwoog dat een eventuele latere vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging niet zonder meer betekent dat de ambtenaren ten tijde van de aanhouding niet rechtmatig hebben gehandeld. Dit oordeel is van belang voor de beoordeling van de rechtmatigheid van politieoptreden en de bescherming van individuele rechten.

Het middel van cassatie dat door de verdachte was voorgesteld, werd verworpen omdat het geen aanleiding gaf tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof en wees het beroep af.

Deze uitspraak benadrukt de scheiding tussen de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van ambtenaren op het moment van aanhouding en de uiteindelijke uitkomst van de strafzaak. Het arrest draagt bij aan de jurisprudentie over de grenzen van politieoptreden en de bescherming van burgers tegen onrechtmatige aanhoudingen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; een latere vrijspraak betekent niet automatisch dat de aanhouding onrechtmatig was.

Uitspraak

29 januari 2008
Strafkamer
nr. 02495/06
RR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 maart 2006, nummer 20/008142-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 29 januari 2008.