Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2008:BC2792

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/281HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in arbeidsgeschil over eenzijdige opzegging arbeidsovereenkomst

In deze zaak staat een arbeidsgeschil centraal over de eenzijdige opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever, eiseres, aan verweerder. Verweerder had de kantonrechter gedagvaard met vorderingen tot verklaring van het einde van de arbeidsovereenkomst en betaling van een deel van het loon en vakantierechten, alsmede een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter wees de vorderingen af, maar het gerechtshof Arnhem vernietigde dit oordeel en veroordeelde eiseres tot betaling van de schadevergoeding.

Eiseres stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het cassatieberoep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van verweerder nihil werden begroot. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand, waarbij eiseres gehouden is tot betaling van de schadevergoeding aan verweerder wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem blijft in stand.

Uitspraak

15 februari 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/281HR
MK/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. J. Biemond, thans mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerder] heeft bij exploot van 6 februari 2003 [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen en gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 13 september 2002 door opzegging is geëindigd, en [eiseres] te veroordelen primair tot betaling van 70% van het laatstverdiende loon, alsmede 70% van de vakantierechten te rekenen vanaf 7 oktober 2002 gedurende de periode dat [verweerder] recht zou hebben gehad op een WW-uitkering (indien deze niet geweigerd zou zijn door de UWV Bouwnijverheid), met rente. [Verweerder] heeft subsidiair gevorderd dat [eiseres] aan hem dient te betalen een gefixeerde schadevergoeding over de periode van 7 oktober 2002 tot en met 31 januari 2003 van € 8.293,45 bruto en € 1.920,83 netto, met rente.
[Eiseres] heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft, na een tussenvonnis van 25 juli 2003, bij eindvonnis van 18 maart 2005 de vorderingen afgewezen.
Tegen deze vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij memorie van grieven heeft [verweerder] zijn eis gewijzigd.
Bij arrest van 11 april 2006 heeft het hof de vonnissen van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiseres] veroordeeld om aan [verweerder] ter zake van gefixeerde schadevergoeding over de periode van 7 oktober 2002 tot en met 31 januari 2003 een bedrag van € 8.293,45 bruto en een bedrag van € 1.920,83 netto te betalen, met rente.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 februari 2008.