ECLI:NL:HR:2008:BC3795
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatieberoep wegens ontbreken van ontvankelijkheidseis
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 20 maart 2006. De verdachte was op 6 maart 2006 verschenen ter terechtzitting van het hof. Volgens artikel 432, eerste lid aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte die op de terechtzitting van het hof is verschenen niet-ontvankelijk worden verklaard in het cassatieberoep indien het beroep niet binnen de gestelde termijn is ingesteld.
De Hoge Raad heeft vastgesteld dat het cassatieberoep op 10 april 2006 is ingesteld, wat betekent dat de verdachte niet aan de ontvankelijkheidseis voldeed. De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.
De Hoge Raad heeft daarop het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is gewezen door de vice-president Koster als voorzitter en raadsheren Ilsink, de Hullu, Thomassen en Splinter-van Kan, en uitgesproken op 8 april 2008.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet voldoen aan de ontvankelijkheidseis.