ECLI:NL:PHR:2008:BC3795
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij veroordeling voor medeplegen overtreding bestrijdingsmiddelenwet
Verzoeker werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens medeplegen van een overtreding van artikel 10, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, en kreeg een geldboete opgelegd. Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De uitspraak van het Hof was op 20 maart 2006, terwijl het cassatieberoep uiterlijk op 3 april 2006 had moeten worden ingesteld. Verzoeker diende het beroep echter pas op 10 april 2006 in, na een brief van 5 april 2006 waarin hij uitlegde dat hij pas laat op de hoogte was van de uitspraak en de stukken had opgevraagd.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet vaststaat dat verzoeker binnen de beroepstermijn ondubbelzinnig heeft kenbaar gemaakt cassatie te willen instellen. De brief van 5 april 2006, die pas op 10 april bij de griffie binnenkwam, was te laat. Ook was er geen sprake van onjuiste mededelingen door justitie die de termijnoverschrijding rechtvaardigen.
Daarnaast werd in de conclusie opgemerkt dat het cassatieberoep inhoudelijk geen kans van slagen had, onder meer vanwege onvoldoende tijdige verzoeken om contra-expertise en het ontbreken van getuigenverzoeken. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.