ECLI:NL:HR:2008:BC7407
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beroepsaansprakelijkheid advocaat wegens nalaten tijdig rechtsmiddel in arbeidsgeschil over WAO-uitkering
De zaak betreft een vordering van eiseres tegen haar advocaat wegens beroepsaansprakelijkheid, omdat deze naliet tijdig het juiste rechtsmiddel in te stellen in een geschil over een aanvulling op haar WAO-uitkering. Eiseres was gedeeltelijk arbeidsongeschikt en stelde dat zij op grond van een algemeen verbindend verklaarde CAO recht had op een aanvullende uitkering. De rechtbank oordeelde dat de advocaat een beroepsfout had gemaakt, maar wees de schadevergoeding af wegens het ontbreken van causaal verband, omdat de CAO-bepaling volgens de rechtbank alleen recht gaf op aanvulling aan algeheel arbeidsongeschikten.
Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de uitleg van de CAO-bepaling objectief moest plaatsvinden, waarbij de bewoordingen en de context van de CAO wezen op een recht uitsluitend voor algeheel arbeidsongeschikten. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en overwoog dat de aanvullende uitkering in art. 13 § 4 lid 4 van de CAO alleen toekomt aan werknemers die algeheel arbeidsongeschikt zijn, niet aan gedeeltelijk arbeidsongeschikten zoals eiseres.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiseres en veroordeelde haar in de kosten van het geding. Hiermee blijft het oordeel dat de advocaat weliswaar een beroepsfout maakte, maar dat deze fout niet heeft geleid tot schadevergoeding, in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt verworpen; de advocaat maakte een beroepsfout, maar dit leidde niet tot schadevergoeding omdat de CAO-aanvulling alleen geldt voor algeheel arbeidsongeschikten.