ECLI:NL:HR:2008:BC8684

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02659/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 WgwArt. 5 WgwArt. 51 Sr
Verwijzingen
12 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onjuiste toepassing zorgplicht Wet goederenvervoer over de weg

In deze zaak stond centraal of een rechtspersoon strafrechtelijk aansprakelijk kon worden gehouden voor het niet naleven van de zorgplicht zoals neergelegd in artikel 4 van Pro de Wet goederenvervoer over de weg (Wgw), in samenhang met het verbod uit artikel 5 Wgw Pro om zonder vergunning beroepsvervoer te verrichten.

De verdachte werd ten laste gelegd dat zij niet had gezorgd dat binnen haar onderneming niet in strijd met artikel 5 Wgw Pro werd gehandeld, namelijk dat een chauffeur zonder vergunning beroepsvervoer verrichtte. Het hof sprak de verdachte vrij omdat de zorgplicht uit artikel 4 Wgw Pro slechts rust op natuurlijke personen die als hoofd, bestuurder of toezichthouder schriftelijk met naleving belast zijn, en niet rechtstreeks op de rechtspersoon zelf.

De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon kan wel worden gebaseerd op artikel 51 Sr Pro, maar dan moet de tenlastelegging daarop zijn toegesneden. Nu dat niet het geval was, was de vrijspraak terecht. Het beroep in cassatie werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van de verdachte wegens onvoldoende bewijs dat zij als hoofd, bestuurder of toezichthouder de zorgplicht uit artikel 4 Wgw heeft geschonden.

Uitspraak

17 juni 2008
Strafkamer
nr. 02659/06 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 14 oktober 2005, nummer 22/002603-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 16 september 2004, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Hof te 's-Gravenhage dan wel verwijzen naar een aangrenzend hof, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte van het onder 2 tenlastegelegde heeft vrijgesproken nu het is uitgegaan van een onjuiste uitleg van art. 4 in Pro verbinding met art. 5, eerste lid, van de Wet goederenvervoer over de weg bezien in samenhang met art. 51 Sr Pro.
3.2. Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:
"zij, op of omstreeks 07 maart 2003 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, niet aan haar verplichting heeft voldaan er voor zorg te dragen dat niet in strijd werd gehandeld met het bepaalde in artikel 5, eerste lid van de Wet goederenvervoer over de weg, zijnde in die onderneming door de chauffeur [betrokkene 1] te Rotterdam, op of omstreeks 07 maart 2003, over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15 W-O, binnenlands beroepsvervoer verricht zonder een daartoe strekkende vergunning."
3.3. Het Hof heeft de verdachte van dat feit vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:
"Gelet op de tekst van de tenlastelegging, waarin wordt verwezen naar de in artikel 4, eerste lid, van de Wet goederenvervoer over de weg vervatte zorgplicht, is de vervolging van de verdachte kennelijk gebaseerd op de laatstgenoemde bepaling. Blijkens deze bepaling, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van de voornoemde Wet, berust de zorg voor de naleving van het krachtens die Wet bepaalde op de hoofden of bestuurders van de betreffende onderneming, alsmede op toezichthoudend personeel dat schriftelijk met de zorg voor de naleving van die bepalingen is belast. Nu de wetgever uitdrukkelijk deze personen als normadressaat heeft aangewezen, kan de specifiek aan de normadressaat opgelegde zorgplicht niet zonder meer als de na te leven verplichting van de rechtspersoon worden aangemerkt.
De Memorie van Toelichting bij artikel 4 - toen nog artikel 5 - stelt immers: "Dit artikel is overgenomen uit de WAG. Ook onder het nieuwe regime blijft behoefte bestaan aan een zorgplicht, die de mogelijkheid biedt binnen de onderneming hierop bepaalde personen (cursivering hof) te kunnen aanspreken" (MvT, Stb 1992, 145).
Het hof wijst er in dit kader nog op dat de - inmiddels door de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervangen - Wet gevaarlijke stoffen in artikel 9, eerste en tweede lid, bepalingen bevatte welke in essentie gelijkluidend waren aan artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet goederenvervoer over de weg. Blijkens de Wetsgeschiedenis van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft de wetgever onderkend dat artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet gevaarlijke stoffen "de mogelijkheden van het algemeen strafrecht om de onderneming respectievelijk de personen binnen de onderneming te vervolgen, kan beperken", reden waarom dat artikel in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen niet is overgenomen (zie de conclusie van mr. Machielse bij het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 november 2001, LJN AD 4412). Blijkens de hiervoor aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting, Staatsblad 1992, 145 heeft de wetgever die lijn ten aanzien van de Wet goederenvervoer over de weg evenwel niet gevolgd.
Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken."
3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 4, eerste en tweede lid, Wet goederenvervoer over de weg (hierna: Wgw)
"1. De hoofden of bestuurders van een onderneming zijn verplicht te zorgen, dat in de onderneming niet wordt gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 5, eerste en derde lid, 14, eerste lid, 15, eerste lid, en 21, en met de voorschriften, krachtens deze wet gegeven, voor zover overtreding daarvan een strafbaar feit is.
2. Gelijke verplichting rust op het toezichthoudend personeel, voor zover het door het hoofd of de bestuurder schriftelijk met de zorg voor de naleving van die bepalingen is belast."
- art. 5, eerste lid, Wgw
"Het is verboden binnenlands beroepsvervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning."
3.5. Het in art. 5 Wgw Pro neergelegde verbod richt zich tot eenieder, terwijl de in art. 4 Wgw Pro opgenomen verplichting slechts rust op degenen die als hoofd of bestuurder van een onderneming kunnen worden aangemerkt, dan wel op het toezichthoudend personeel, voor zover het door het hoofd of de bestuurder schriftelijk met de zorg voor de naleving van de desbetreffende bepalingen is belast. Een rechtspersoon kan derhalve slechts als pleger van overtreding van art. 4 Wgw Pro worden veroordeeld indien hij onder één van die in die bepaling genoemde categorieën kan worden gerangschikt. Dat staat overigens niet eraan in de weg een rechtspersoon in voorkomende gevallen als deelnemer aan het in art. 4 Wgw Pro omschreven strafbare feit aansprakelijk te stellen.
3.6. Het middel berust op de opvatting dat art. 4 Wgw Pro "geen imperatief gebod om alleen de daarin aangewezen natuurlijke personen en niet de rechtspersoon voor wiens rekening en risico het beroepsvervoer wordt verricht, strafrechtelijk aansprakelijk te stellen bevat". Die opvatting is juist, in die zin dat de aansprakelijkstelling van een rechtspersoon voor de naleving van art. 5, eerste lid, Wgw kan worden gebaseerd op art. 51 Sr Pro. In zo een geval zal de tenlastelegging dienen te zijn toegesneden op art. 5, eerste lid, Wgw.
Uit de hiervoor onder 3.3 weergegeven overwegingen kan echter niet blijken dat het Hof van een andere - en dus onjuiste - opvatting is uitgegaan. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de tenlastelegging is toegesneden op art. 4 Wgw Pro in verbinding met art. 5, eerste lid, van die wet en dus niet enkel op art. 5, eerste lid, Wgw. Aldus heeft het Hof aan de tenlastelegging een uitleg gegeven die met haar bewoordingen niet onverenigbaar is en daarom in cassatie moet worden geëerbiedigd.
Daarvan uitgaande heeft het Hof bij zijn vrijspraak geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
3.7. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 juni 2008.