ECLI:NL:PHR:2008:BC8684
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onjuiste toepassing zorgplicht Wet goederenvervoer over de weg
In deze zaak stond de vraag centraal of de zorgplicht uit artikel 4 van Pro de Wet goederenvervoer over de weg (Wgw) ook strafrechtelijk kan worden toegerekend aan een rechtspersoon. De verdachte werd door het hof vrijgesproken omdat het hof oordeelde dat de zorgplicht uitsluitend rust op natuurlijke personen zoals hoofden, bestuurders of toezichthoudend personeel, en niet op de rechtspersoon zelf.
De Hoge Raad oordeelde dat deze uitleg onjuist was. Uit de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie volgt dat de rechtspersoon wel degelijk als dader kan worden aangemerkt wanneer het tekortschieten van hoofden of bestuurders in de naleving van de zorgplicht aan de rechtspersoon kan worden toegerekend op grond van artikel 51 Sr Pro. Het hof had ten onrechte een beletsel gezien om de zorgplicht aan de rechtspersoon toe te rekenen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting met inachtneming van deze rechtsopvatting. Tevens wees de Hoge Raad op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De zaak betreft de toepassing van economische delicten onder de Wgw en de vraag hoe de zorgplicht strafrechtelijk wordt toegerekend binnen ondernemingen. De uitspraak verduidelijkt dat de rechtspersoon als zodanig aansprakelijk kan zijn voor het niet naleven van de zorgplicht, ook al is die zorgplicht primair aan natuurlijke personen opgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met correcte toepassing van art. 4 Wgw en art. 51 Sr.