ECLI:NL:HR:2008:BD1047
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Splitsing pachtrecht tussen ondernemings- en privévermogen niet toegestaan
Belanghebbende drijft een melkveehouderij in maatschapsverband met zijn echtgenote en kinderen. De ouders waren eigenaar van een weiland dat zij in de maatschap inbrachten. Vervolgens verkochten zij het weiland aan een BV waarvan belanghebbende directeur en enig aandeelhouder was, onder voorbehoud van een pachtrecht van twaalf jaren met verlengingsrecht.
De ouders schreven af op het pachtrecht over twaalf jaren, maar het Hof Leeuwarden stelde de afschrijvingsperiode op dertig jaar. Het Hof oordeelde verder dat het pachtrecht naar tijdsgelang moest worden gesplitst in een deel dat tot het ondernemingsvermogen behoort (11/30) en een deel dat tot het privévermogen behoort (19/30), omdat de kinderen het bedrijf na 11 jaar zouden voortzetten.
Belanghebbende ging in cassatie tegen deze uitspraak. De conclusie van de Procureur-Generaal stelt dat het oordeel over de afschrijvingstermijn feitelijk en voldoende gemotiveerd is, maar dat de splitsing van het pachtrecht naar tijdsgelang rechtens onjuist is. Het pachtrecht moet als geheel tot het ondernemingsvermogen worden gerekend zolang het binnen de onderneming wordt gebruikt, ongeacht toekomstige plannen om het recht naar privévermogen over te brengen.
De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het cassatieberoep van belanghebbende. De uitspraak zelf wordt niet gepubliceerd.
Uitkomst: Het pachtrecht behoort volledig tot het ondernemingsvermogen zolang het binnen de onderneming wordt aangewend en mag niet naar tijdsgelang worden gesplitst.