ECLI:NL:HR:2008:BD1069

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43318
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.W. van den Berge
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 lid 5 Wet IB 2001Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt forfaitaire rendementsbepaling over vererfd vermogen zonder discriminatie

In deze zaak ging het om een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002, vastgesteld ten name van een erflater die op 24 december 2002 overleed. De Inspecteur had het forfaitair rendement berekend naar elf maanden, rekening houdend met het overlijden in dat jaar. De erfgenamen betwistten dat de rendementsgrondslag werd berekend over de waarde van het vermogen per 31 december 2002, terwijl zij slechts gedurende een week in dat jaar gerechtigd waren tot het verkregene.

Het Hof verklaarde het beroep van de erfgenamen ongegrond en oordeelde dat de Inspecteur de rendementsgrondslag correct had vastgesteld. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de toegepaste methode geen verboden discriminatie oplevert. Het middel van de erfgenamen kon niet tot cassatie leiden en er was geen aanleiding tot nadere motivering.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten aan de erfgenamen toe te kennen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee is de forfaitaire rendementsbepaling over het aan het einde van het jaar vererfd vermogen bevestigd als rechtmatig en niet discriminerend.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de erfgenamen wordt ongegrond verklaard en de forfaitaire rendementsbepaling bevestigd.

Uitspraak

nr. 43.318
9 mei 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van A, gewoond hebbende te Z, (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 april 2006, nr. P04/04624, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Ten name van A (hierna: erflater) is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Erflater is overleden op 24 december 2002. Op de voet van artikel 5.3, lid 5, van de Wet IB 2001 heeft de Inspecteur ten aanzien van erflater het forfaitair rendement over het jaar 2002 berekend naar elf maanden.
3.1.2. Ten aanzien van de in Nederland wonende erfgenamen is over het jaar 2002 de per 31 december 2002 berekende waarde van het verkregene in aanmerking genomen bij de berekening van de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar 2002, met verwaarlozing van de omstandigheid dat zij in 2002 slechts gedurende één week gerechtigd zijn geweest tot het verkregene. De erfgenamen die daartegen zijn opgekomen, zijn in het ongelijk gesteld (zie de arresten van de Hoge Raad van heden in de zaken met nrs. 43407 en 43408).
3.2. Het Hof heeft de hiervoor in 3.1.1 omschreven handelwijze van de Inspecteur juist geoordeeld. Daartegen keert zich het middel. Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2008.