ECLI:NL:HR:2011:BR4868
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Geoorloofde forfaitaire berekening van heffingsrente vanaf 1 juli 2006 ondanks latere bate
In deze zaak ging het om de vraag of de Inspecteur terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht vanaf 1 juli 2006, terwijl de bate pas op 30 november 2006 werd genoten. Belanghebbende had een aanzienlijk vervreemdingsvoordeel behaald en werd een voorlopige aanslag opgelegd met heffingsrente over de periode vanaf 1 juli 2006.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en beperkte de heffingsrente tot de periode vanaf 1 december 2006. De Minister stelde daarop cassatie in tegen het oordeel van het Hof.
De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever een forfaitair systeem hanteert waarbij wordt uitgegaan van een gelijkmatige aangroei van de belastingschuld over het jaar, waardoor heffingsrente wordt berekend vanaf 1 juli. Dit systeem valt binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever heeft onder het EVRM. Er was geen sprake van een individuele buitensporige last voor belanghebbende, mede gelet op de omvang van het vervreemdingsvoordeel en de verschuldigde belasting. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel werd eveneens verworpen.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het oordeel van het Hof en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De forfaitaire berekening van heffingsrente vanaf 1 juli 2006 is geoorloofd en leidt niet tot een individuele buitensporige last.