ECLI:NL:HR:2008:BD1904
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitlevering ondanks verjaringsverweer op grond van IJslands recht
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem die uitlevering van een opgeëiste persoon aan de Republiek IJsland toestond. De verdediging voerde aan dat het recht tot tenuitvoerlegging van de straf door verjaring was vervallen, omdat het IJslandse vonnis volgens Nederlandse maatstaven al in 1999 onherroepelijk zou zijn geworden.
De rechtbank oordeelde echter dat de onherroepelijkheid van het vonnis moet worden beoordeeld naar het recht van de verzoekende staat, in dit geval IJsland. Op basis van het vertrouwensbeginsel werd vertrouwd op de informatie van IJsland dat het vonnis pas in juli 2003 onherroepelijk werd en dat de verjaringstermijn derhalve nog niet was verstreken.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Er was geen onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijkheid in het oordeel van de rechtbank. Ook het verweer dat artikel 9 van Pro de Uitleveringswet van toepassing zou zijn, werd verworpen omdat de Schengen Uitvoeringsovereenkomst bepalingen bevat over de beoordeling van verjaring volgens het recht van de verzoekende staat.
De Hoge Raad concludeerde dat het beroep niet tot cassatie kan leiden en wees het beroep af, waarmee de uitlevering werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de uitlevering ondanks het verjaringsverweer.