ECLI:NL:HR:2008:BD4377

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11437
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging en beëindiging partneralimentatie tussen voormalige echtelieden

De man verzocht bij de rechtbank Breda om de door hem verschuldigde partneralimentatie aan de vrouw met ingang van diverse data tussen 2001 en 2003 op nihil te stellen of te verminderen. De rechtbank wijzigde de alimentatieverplichting gedeeltelijk en stelde de bijdrage vanaf 1 oktober 2004 op nihil. De vrouw stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, waarop ook de man incidenteel hoger beroep instelde. Het hof vernietigde de eerdere beschikkingen en stelde vast dat de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de vrouw met ingang van 1 oktober 2004 van rechtswege is geëindigd. De man stelde hiertegen cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen.

De uitspraak bevestigt dat de onderhoudsverplichting tussen voormalige echtelieden kan eindigen op grond van rechtsgevolgen die door het hof zijn vastgesteld, en dat de Hoge Raad terughoudend is in het aannemen van cassatiegronden die geen wezenlijke rechtsvragen oproepen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de onderhoudsverplichting van de man met ingang van 1 oktober 2004 is geëindigd.

Uitspraak

5 september 2008
Eerste Kamer
07/11437
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 15 februari 2005 ter griffie van de rechtbank Breda ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de door hem verschuldigde partneralimentatie met ingang van 27 april 2001, althans 9 juli 2001, althans 1 december 2001 op nihil te stellen, dan wel te verminderen tot een door de rechtbank te bepalen bedrag. Daarnaast heeft de man verzocht de verschuldigde partneralimentatie met ingang van 5 december 2003 op nihil te stellen.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
Na een tussenbeschikking van 7 juli 2005 heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 15 februari 2006 de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 april 2001 aldus gewijzigd dat de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdrage voor de vrouw met ingang van 9 juli 2001 nader wordt vastgesteld op € 2.989,-- per maand en voorts met ingang van 1 oktober 2004 op nihil. Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen beide beschikkingen van de rechtbank heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 12 juni 2007 heeft het hof, in het principaal en in het incidenteel appel, de bestreden beschikkingen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, vastgesteld dat de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de vrouw met ingang van 1 oktober 2004 van rechtswege is geëindigd. Het meer of anders verzochte heeft het hof afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de man heeft op 27 juni 2008 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren O. de Savornin Lohman, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 september 2008.