ECLI:NL:HR:2008:BD7582

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12622
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 EEX-VerordeningArt. 38 EEX-VerordeningArt. 43 EEX-VerordeningArt. 54 EEX-Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erkenning en tenuitvoerlegging Duitse kostenbeschikking op grond van EEX-Verordening

In deze zaak betrof het een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van een Duitse 'Kostenfestsetzungsbeschluss', die was gebaseerd op een ex parte uitgevaardigde 'einstweilige Verfügung'. De voorzieningenrechter had het verzoek van Feinchemie gehonoreerd, waarna Realchemie hiertegen bezwaar maakte en de rechtbank 's-Hertogenbosch het verzoek afwees.

Realchemie stelde in cassatie dat de Duitse beschikking geen beslissing in de zin van de EEX-Verordening was, omdat deze zonder mondelinge behandeling en zonder toepassing van hoor en wederhoor was genomen. Daarnaast voerde Realchemie aan dat de weigeringsgrond van artikel 34 lid 2 EEX Pro-Verordening van toepassing was, omdat zij niet was opgeroepen.

De Hoge Raad oordeelde dat voorlopige maatregelen die zonder oproeping worden gegeven en zonder betekening niet onder hoofdstuk III van de EEX-Verordening vallen, maar dat dit niet geldt indien de beschikking wel aan de wederpartij is betekend en tegen die beschikking bezwaar of verzet mogelijk is. In deze zaak was de Duitse beschikking aan Realchemie betekend en kon zij bezwaar maken, zodat erkenning en tenuitvoerlegging mogelijk waren.

Verder verwierp de Hoge Raad het beroep op artikel 34 lid 2 EEX Pro-Verordening, omdat deze weigeringsgrond alleen ziet op verstekvonnissen en niet op situaties waarin de wederpartij niet behoefde te worden opgeroepen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de erkenning en tenuitvoerlegging van de Duitse kostenbeschikking in Nederland.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de erkenning en tenuitvoerlegging van de Duitse kostenbeschikking in Nederland.

Uitspraak

7 november 2008
Eerste Kamer
07/12622
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
REALCHEMIE NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
de vennootschap naar Duits recht FA. FEINCHEMIE SCHWEBDA GmbH,
gevestigd te Eschwege, Duitsland,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Realchemie en Feinchemie.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij beschikking van 8 februari 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch het verzoek van Feinchemie om de in die beschikking genoemde "Kostenfestsetzungsbeschluss" in Nederland ten uitvoer te kunnen leggen toegewezen.
Realchemie heeft tegen voornoemde beschikking bij de rechtbank 's-Hertogenbosch het rechtsmiddel als bedoeld in art. 43 EEX Pro-Verordening ingesteld en de rechtbank verzocht de beschikking van de voorzieningen-rechter te vernietigen en het verzochte verlof alsnog te weigeren.
Feinchemie heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 20 juli 2007, zaaknummer/rekestnummer 159584/EX RK 07-116, het verzoek afgewezen.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft Realchemie beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Feinchemie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Het Landgericht Göttingen heeft op verzoek van Feinchemie op 24 mei 2006 een "einstweilige Verfügung" jegens Realchemie uitgevaardigd. Hierin heeft het Landgericht bepaald dat de proceskosten ten laste zouden dienen te komen van Realchemie ("Kostenentscheidung").
(ii) Op 31 augustus 2006 heeft het Landgericht op basis van de Kostenentscheidung aan Feinchemie een "Kostenfestsetzungsbeschluss" verstrekt waarbij is beslist dat Realchemie proceskosten tot een bedrag van € 4.715,27 met rente aan Feinchemie dient te voldoen. Deze beslissing is op 3 oktober 2006 aan Realchemie betekend en op 12 januari 2007 heeft het Landgericht voor deze beslissing een certificaat verstrekt als bedoeld in art. 54 EEX Pro-Verordening.
3.2.1 De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 8 februari 2007 op verzoek van Feinchemie verlof tot tenuitvoer-legging in Nederland van de Kostenfestsetzungsbeschluss verleend.
3.2.2 Realchemie heeft op de voet van art. 43 EEX Pro-Verordening de rechtbank 's-Hertogenbosch verzocht de beschikking van de voorzieningenrechter te vernietigen en het door Feinchemie verzochte verlof alsnog te weigeren. Daartoe heeft Realchemie primair gesteld dat in het licht van HvJEG 21 mei 1980, 125/79, NJ 1981, 184 (Denilauler/Couchet Frères) een einstweilige Verfügung geen beslissing is in de zin van art. 38 EEX Pro-Verordening en dat de daarop gebaseerde Kostenfestsetzungsbeschluss daarom evenmin onder de werking van hoofdstuk III van de EEX-Verordening valt, en subsidiair dat de weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 2, EEX-Verordening van toepassing is, aangezien de einstweilige Verfügung door de Duitse rechter is gegeven zonder mondelinge behandeling en zonder het toepassen van hoor en wederhoor.
3.2.3 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking zowel de primaire als de subsidiaire grondslag van het door Realchemie ingestelde rechtsmiddel verworpen en het verzoek van Realchemie afgewezen. Zij heeft daartoe het volgende, zakelijk weergegeven, overwogen.
Een einstweilige Verfügung is aan te merken als een beslissing in de zin van art. 38 in Pro verbinding met art. 32 EEX Pro-Verordening, nu de desbetreffende procedure na betekening van de beslissing door middel van verzet de mogelijkheid biedt tot verweer en dus toepassing van hoor en wederhoor. Hetzelfde geldt ten aanzien van een Kostenfestsetzungsbeschluss, waartegen bezwaar openstaat (rov. 5.2.2-5.2.3).
Voorzover art. 34, lid 2, EEX-Verordening al van toepassing is, nu geen sprake is van verstekverlening, komt Realchemie geen beroep op die bepaling toe, omdat zowel de einstweilige Verfügung als de Kostenfestsetzungsbeschluss aan haar is betekend en zij noch verzet heeft gedaan tegen de einstweilige Verfügung, noch tegen de daaruit voortvloeiende Kostenfestsetzungsbeschluss bezwaar heeft gemaakt (5.3.2-5.3.3).
3.3.1 Onderdeel 1 klaagt erover dat de rechtbank heeft miskend dat de Kostenfestsetzungsbeschluss, evenals de daaraan ten grondslag liggende einstweilige Verfügung, is totstandgekomen zonder mondelinge behandeling, en zonder dat op andere wijze hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, zodat de Kostenfestsetzungsbeschluss geen beslissing is in de zin van art. 38 in Pro verbinding met art. 32 EEX Pro-Verordening die voor erkenning en tenuitvoerlegging op grond van de EEX-Verordening in aanmerking komt.
3.3.2 Vooropgesteld moet worden dat rechterlijke beslis-singen die (a) betrekking hebben op het toestaan van voorlopige of bewarende maatregelen, (b) worden gegeven zonder dat de partij tegen wie zij zijn gericht, is opgeroepen te verschijnen, en (c) ten uitvoer moeten worden gelegd zonder voorafgaande betekening, niet onder de in hoofdstuk III van de EEX-Verordening voorziene regeling voor de erkenning en tenuitvoerlegging vallen. Hierbij verdient opmerking dat de onder (a)-(c) genoemde voorwaarden cumulatief gelden (vgl. HvJEG 21 mei 1980, zk 125/79, NJ 1981, 184, Denilauler/Couchet Frères en HvJEG 14 oktober 2004, zk C-39/02, NJ 2007, 389, Maersk/De Haan).
3.3.3 Het onderdeel faalt. De rechtbank heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat zowel de einstweilige Verfügung als de Kostenfestsetzungsbeschluss aan Realchemie is betekend, en dat na de betekening tegen een einstweilige Verfügung die zonder mondelinge behandeling is gegeven, verzet kan worden gedaan, terwijl tegen een Kostenfestsetzungsbeschluss bezwaar kan worden gemaakt. Hieruit volgt dat geen sprake is van een beslissing die ten uitvoer moet worden gelegd zonder voorafgaande betekening, zodat niet is voldaan aan de hiervoor in 3.3.2 onder (c) genoemde voorwaarde. Daarom komt de Kostenfestsetzungsbeschluss, evenals de daaraan ten grondslag liggende einstweilige Verfügung - hoewel ex parte gegeven - op grond van titel III van de EEX-Verordening voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking.
3.4.1 Onderdeel 2 strekt ten betoge, dat de rechtbank heeft miskend, dat voorzover in art. 34, aanhef en onder 2, EEX-Verordening, wordt bepaald dat niet met succes een beroep op de hier opgenomen weigeringsgrond kan worden gedaan wanneer de verweerder tegen de beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt verzocht geen rechtsmiddel heeft aangewend, terwijl hij daartoe in staat was, dit niet van toepassing is op procedures als de onderhavige, waarin van een inleidend processtuk dat tot de wederpartij moet worden gericht geen sprake is.
3.4.2 Ook dit onderdeel faalt reeds omdat de hier bedoelde weigeringsgrond betrekking heeft op de situatie dat een verweerder bij verstek is veroordeeld en niet ziet op een geval als het onderhavige, waarin de verweerder niet is opgeroepen en ook niet behoefde te worden opgeroepen (HR 20 juni 2008, nr. R07/124, NJ 2008, 354).
3.5 Onderdeel 3 kan niet tot cassatie leiden omdat het berust op de hier als onjuist verworpen opvatting dat de beslissing waarvan tenuitvoerlegging is verzocht geen beslissing is in de zin van art. 38 in Pro verbinding met art. 32 EEX Pro-Verordening die voor erkenning en tenuitvoerlegging op grond van de EEX-Verordening in aanmerking komt.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 7 november 2008.