ECLI:NL:HR:2008:BF0201

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01780/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 365b.1 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling nietigheid arrest en overschrijding redelijke termijn in cassatie

De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin werd geklaagd over de nietigheid van het arrest vanwege het ontbreken van de handtekening van de voorzitter van het Hof op een aanvulling van het verkorte arrest. De verdachte stelde dat dit een essentieel vormvoorschrift betrof dat niet was nageleefd.

De Hoge Raad verwierp deze klacht en oordeelde dat het niet ondertekenen door de voorzitter van de strafsector in plaats van de voorzitter van het Hof geen nietigheid van het arrest tot gevolg heeft. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden.

Hoewel de termijnoverschrijding werd erkend, vond de Hoge Raad dat gezien de aard van de opgelegde straf en de mate van overschrijding geen rechtsgevolgen aan deze overschrijding verbonden hoefden te worden. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het Hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn; het arrest is niet nietig.

Uitspraak

4 november 2008
Strafkamer
nr. S 01780/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 augustus 2006, nummer 23/000689-06, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel bevat de klacht dat het bestreden arrest nietig is, omdat de aanvulling op het verkorte arrest bij ontstentenis van het lid van de Enkelvoudige Kamer dat het arrest heeft gewezen - in strijd met art. 365b, eerste lid, Sv - niet is ondertekend door de Voorzitter van het Hof, maar door de voorzitter van de strafsector.
2.2. Het middel faalt. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat door het bedoelde niet naleven van art. 365b, eerste lid, Sv een zodanig essentieel vormvoorschrift is geschonden, dat dit de nietigheid van de bestreden uitspraak meebrengt. Die opvatting is onjuist.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 november 2008.