ECLI:NL:HR:2008:BF5521
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gemotiveerde strafoplegging voor langdurige handel in cocaïne en XTC
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor de handel in cocaïne en XTC-pillen gedurende de periode van 2000 tot en met 2004. Het hof had bewezenverklaard dat verdachte samen met een ander gedurende deze jaren grote hoeveelheden drugs had verkocht, afgeleverd en vervoerd. De officier van justitie had in hoger beroep een gevangenisstraf van vier jaar geëist, mede gelet op de ernst en duur van de feiten en vergelijkbare uitspraken.
Het hof veroordeelde verdachte tot 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, en een geldboete van 2.400 euro. Het hof motiveerde deze straf onder meer met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn rol als beginnend handelaar en het feit dat slechts één keer de verkoop van dertig XTC-pillen bewezen was.
De Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad en verdachte zelf stelden cassatieberoepen in, waarbij onder meer werd geklaagd over onvoldoende motivering van de strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof zijn beslissing toereikend had gemotiveerd en dat art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv geen nadere motivering vereiste.
De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De strafoplegging werd als passend en geboden beoordeeld, mede vanuit het oogpunt van speciale preventie. Hiermee kwam een einde aan de procedure.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de strafoplegging van 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, en een geldboete van 2.400 euro voor langdurige handel in cocaïne en XTC.