ECLI:NL:HR:2008:BF7415

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13541
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlies Nederlanderschap door Surinaamse nationaliteit volgens Toescheidingsovereenkomst

Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om vast te stellen dat hij sinds 17 mei 1983 dan wel sinds 1 januari 1985 de Nederlandse nationaliteit bezit. Dit naar aanleiding van het verlies van het Nederlanderschap door het van rechtswege verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit op grond van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname.

De rechtbank wees het verzoek af en verzoeker stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Staat der Nederlanden verzocht het beroep te verwerpen. De Advocaat-Generaal concludeerde eveneens tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verzoeker geen aanleiding geven tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatieberoep.

De uitspraak bevestigt dat het Nederlanderschap verloren gaat door het van rechtswege verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit volgens de Toescheidingsovereenkomst, zonder anticipatie op toekomstige wetswijzigingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen.

Uitspraak

28 november 2008
Eerste Kamer
07/13541
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.P. Dielbandhoesing,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie,
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instantie
Met een op 11 december 2006 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft [verzoeker] zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, vast te stellen dat hij primair sedert 17 mei 1983 dan wel subsidiair sedert 1 januari 1985 over de Nederlandse nationaliteit beschikt.
De Staat heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
De rechtbank heeft bij beschikking van 13 september 2007 het verzoek afgewezen.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 28 november 2008.