ECLI:NL:HR:2008:BG1814
Hoge Raad
- Cassatie
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vordering tot aanmerking zoon als medepachter in pachtrecht
De Stichting vorderde dat de zoon van de pachter als medepachter zou worden aangemerkt voor een pachtovereenkomst betreffende een bepaald perceel. De pachtkamer wees deze vordering toe, maar wees de reconventionele vordering van de Stichting af en verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van een deel daarvan. De Stichting stelde hoger beroep in, maar werd niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis van de pachtkamer werd bekrachtigd.
De Stichting stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af zonder nadere motivering, gelet op artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad veroordeelde de Stichting tevens in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee kwam een einde aan het geschil over de aanmerking van de zoon als medepachter in de pachtovereenkomst.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de zoon als medepachter moet worden aangemerkt.