ECLI:NL:HR:2008:BG3522
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering van opgelegde profijtontneming wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van €7.470 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat het middel gegrond was en dat de betalingsverplichting verminderd moest worden tot €7.096.
De Hoge Raad verwierp het beroep voor het overige en vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van het bedrag. Er waren geen andere gronden voor vernietiging. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 2 december 2008.
Uitkomst: Betalingsverplichting verminderd tot €7.096 wegens overschrijding redelijke termijn.