ECLI:NL:HR:2008:BG6980
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak over pachtverlenging
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van een pachtovereenkomst door eiser, ingediend bij de pachtkamer van de rechtbank Utrecht. De rechtbank verlengde de overeenkomst met de wettelijke duur van zes jaren tot 1 juni 2013. Verweerder stelde hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem, dat de verlenging vernietigde en de pachtovereenkomst beëindigde met een ontruimingstermijn van tien maanden.
Eiser stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze beschikking van het hof. Verweerder betwistte de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat arresten en beschikkingen van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem op grond van art. 134 Pachtwet Pro niet vatbaar zijn voor cassatie. Hoewel de Pachtwet per 1 september 2007 werd ingetrokken en vervangen door titel 5 van Boek 7 BW, en nieuwe procesrechtelijke bepalingen cassatie niet uitsluiten, geldt voor lopende procedures de overgangsbepaling van art. 74 Overgangswet Pro Nieuw Burgerlijk Wetboek.
Op basis hiervan verklaarde de Hoge Raad eiser niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Tevens werd eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2008.
Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen de beëindiging van de pachtovereenkomst.