ECLI:NL:HR:2008:BG7297
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C.J.J. van Maanen
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- Rechtspraak.nl
Juridische kwalificatie van overeenkomst in navorderingsaanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende stelde in 1995 via een gevolmachtigde een bedrag van ƒ 25.000 ter beschikking aan een stichting onder een overeenkomst die als geldlening met rentevergoeding was gekwalificeerd. In 1996 ontving belanghebbende van de stichting ƒ 59.231, wat niet was vermeld in zijn aangifte inkomstenbelasting. De Inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag op, waarbij het voordeel van ƒ 34.231 werd aangemerkt als inkomsten uit arbeid of vermogen.
Het Hof Leeuwarden verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat belanghebbende gebonden was aan de vorm en voorwaarden van de overeenkomst, ook al had hij zich niet actief met de inhoud bemoeid. Belanghebbende stelde in cassatie dat de juridische kwalificatie van de overeenkomst niet door de benaming, maar door de inhoud moet worden bepaald.
De Hoge Raad stelde vast dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd indien het de benaming van de overeenkomst als doorslaggevend had gezien en onvoldoende had gemotiveerd waarom het standpunt van belanghebbende niet werd betrokken. Daarom werd het arrest van het Hof vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep en bepaalde dat de Staat het griffierecht aan belanghebbende vergoedt. De vergoeding van de kosten van het geding bij het Hof wordt aan het verwijzingshof overgelaten.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Leeuwarden wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.