Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2009:AZ2230

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42699
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
  • J.A.C.A. Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 lid 3 AwbArt. 20a lid 6 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over emigratieheffing aanmerkelijkbelanghouders

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar werd deze aanslag verminderd door de Inspecteur. Het hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag verder.

De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het hof. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van het beroep. De Hoge Raad volgde deze conclusie en vernietigde de uitspraak van het hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht. Tevens vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van de Inspecteur en de aanslag voor het deel dat betrekking heeft op inkomen uit aanmerkelijk belang volgens artikel 20a, lid 6, Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De Hoge Raad bepaalde dat de rechtsgevolgen van de aanslag, zoals verminderd door de Inspecteur, in stand blijven overeenkomstig artikel 8:72, lid 3, Awb. De Inspecteur werd veroordeeld in de kosten van het geding voor het hof, vastgesteld op € 483, te vergoeden door de Staat. Partijen maakten geen gebruik van de gelegenheid om schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2006.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt de uitspraak van het hof en de Inspecteur, en houdt de rechtsgevolgen van de door de Inspecteur verminderde aanslag in stand.

Uitspraak

nr. 42.699
20 februari 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 september 2005, nr. 03/02515, betreffende een aan X te Z, België (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verder verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 4 oktober 2006 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het beroep.
De Minister van Financiën heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2006, zaak N, C-470/04, BNB 2007/22. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling van het middel
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 42701 uitgesproken arrest van de Hoge Raad. Op de in dat arrest vermelde gronden slaagt het door belanghebbende voor het Hof gedane beroep op het gemeenschapsrecht.
's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht, wat het geding in cassatie betreft, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,
vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de aanslag voor het deel dat is toe te rekenen aan het in de aanslag begrijpen van inkomen uit aanmerkelijk belang ingevolge artikel 20a, lid 6, aanhef en letter i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964,
bepaalt met overeenkomstige toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht dat de rechtsgevolgen van de aanslag, zoals die door de Inspecteur is verminderd, in stand blijven, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 483 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2009.