ECLI:NL:HR:2009:BC5874

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
44021
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 IVBPRArt. 14 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 8 lid 4 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over tariefsverlaging vennootschapsbelasting en discriminatie gebroken boekjaar

In deze zaak stond centraal of het verlaagde tarief van de vennootschapsbelasting per 1 januari 2002 ook naar tijdsgelang moest worden toegepast op belastingplichtigen met een gebroken boekjaar. Belanghebbende, een vennootschap met een gebroken boekjaar, was van mening dat zij door het ontbreken van een dergelijke regeling werd gediscrimineerd ten opzichte van belastingplichtigen met een kalenderjaar als boekjaar.

De Rechtbank Haarlem en het Gerechtshof Amsterdam hadden de aanslag van belanghebbende verminderd omdat zij oordeelden dat sprake was van ongelijke behandeling. De Staatssecretaris stelde echter beroep in cassatie in tegen deze uitspraken. De Hoge Raad onderzocht of het onderscheid in behandeling in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro in verbinding met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol.

De Hoge Raad overwoog dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij fiscale regelgeving en dat het verschil in behandeling voortvloeit uit de keuzevrijheid van belastingplichtigen voor een gebroken boekjaar. Een regeling die het verlaagde tarief naar tijdsgelang toepast op gebroken boekjaren zou uitvoeringsproblemen veroorzaken en niet tot volledige gelijkheid leiden. Gelet op de beperkte omvang van de tariefsmatiging en de redelijke motieven van de wetgever, werd geoordeeld dat geen sprake was van verboden discriminatie.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie gegrond, vernietigde de uitspraken van Hof en Rechtbank en verklaarde het beroep tegen de aanslag ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de lagere uitspraken en verklaart het beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting ongegrond.

Uitspraak

Nr. 44.021
18 december 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 april 2007, nr. 06/00135, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het boekjaar 2001/2002 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 05/1623) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 14 februari 2008 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en tot vernietiging van de uitspraak van het Hof alsmede tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. Nu deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het geschil betreft de vraag of het in strijd is met het verbod van discriminatie bedoeld in artikel 26 IVBPR Pro en/of artikel 14 EVRM Pro, in verbinding met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol daarbij, om het met ingang van 1 januari 2002 verlaagde tarief van de vennootschapsbelasting voor belastingplichtigen met een gebroken boekjaar van toepassing te doen zijn met ingang van (de aanvang van) het eerste boekjaar ná 1 januari 2002 (derhalve het boekjaar dat loopt van 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2003), in plaats van naar tijdsgelang vanaf 1 januari 2002 (derhalve mede over het boekjaar van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002). De omvang van het belastbare bedrag voor het laatstbedoelde boekjaar is tussen partijen niet in geschil.
3.2. Het Hof heeft zich verenigd met het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende niet gelijk wordt behandeld als met haar vergelijkbare gevallen, omdat de door haar over de eerste acht maanden van 2002 behaalde winst tegen een hoger tarief wordt belast dan de winst over die maanden van belastingplichtigen die een boekjaar hebben dat gelijk is aan het kalenderjaar.
3.3.1. Het middel bestrijdt in de eerste plaats dat belastingplichtigen met het kalenderjaar als boekjaar enerzijds en belastingplichtigen met een zogenoemd gebroken boekjaar anderzijds gelijke gevallen zijn.
3.3.2. Zoals het Hof in 2.7.3 van zijn uitspraak heeft overwogen, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het doel van de tariefsverlaging was te voorzien in een lastenverlichting voor het bedrijfsleven in verband met de wens om structureel een extra impuls te geven aan het Nederlandse fiscale vestigings- en ondernemingsklimaat. In het licht van deze doelstelling valt niet in te zien waarom belastingplichtigen met een gebroken boekjaar voor de toepassing van de onderhavige verlaging van het vennootschapsbelastingtarief voor een bepaald kalenderjaar, vanaf de ingangsdatum van die verlaging niet gelijk zouden zijn aan belastingplichtigen die een boekjaar hebben dat gelijk is aan het kalenderjaar. Het middel faalt derhalve in zoverre.
3.4.1. Het middel betoogt voorts dat geen sprake is van een ongeoorloofde discriminatie als bedoeld in het EVRM en het IVBPR.
3.4.2. Op fiscaal gebied komt aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (vgl. HR 8 juli 2005, nr. 39870, LJN AQ7212, BNB 2005/310).
3.4.3. Een voor de vennootschapsbelasting belastingplichtig lichaam is - mits wordt voldaan aan de voorwaarde dat het regelmatig boekhoudt met geregelde jaarlijkse afsluitingen (artikel 8, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969) - vrij in de keuze voor een gebroken boekjaar. Wanneer een belasting-plichtige heeft gekozen voor een gebroken boekjaar zal een wetswijziging die gevolg voor de belastingdruk heeft met ingang van een boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari van een bepaald jaar zonder dat voor belastingplichtigen die een gebroken boekjaar kennen een bijzondere regeling wordt getroffen, voor hem later effect krijgen dan voor belastingplichtigen met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar. In geval van een belastingverlichting - in het tarief of in de grondslag - zal hij daarvan later profiteren, in geval van een belastingverzwaring zal de keuze voor het gebroken boekjaar juist voordelig zijn. Bij wetswijzigingen waarin tegelijk verzwaringen en verlichtingen van de belasting zijn opgenomen, zullen sommige belastingplichtigen met een gebroken boekjaar een voordeel hebben van de latere ingangsdatum, andere een nadeel.
3.4.4. De wetgever kan ogenschijnlijk zonder daarmee substantiële uitvoeringsproblemen voor de Belastingdienst en/of de betrokken belastingplichtigen op te roepen, op betrekkelijk eenvoudige wijze gelijkheid tussen belastingplichtigen met een gebroken boekjaar respectievelijk het kalenderjaar als boekjaar bewerkstelligen door een tariefswijziging ook reeds van toepassing te verklaren op per 1 januari van het desbetreffende jaar lopende boekjaren, maar dan vanaf 1 januari, dus naar tijdsgelang. Een dergelijke overgangsregeling herstelt echter niet (volledig) de gelijkheid met belastingplichtigen die geen gebroken boekjaar kennen, en leidt evenmin tot gelijkheid binnen de categorie van belastingplichtigen die een gebroken boekjaar kennen. In dit verband is met name van belang dat de winst in het algemeen niet gelijkmatig over het jaar wordt gerealiseerd. Een zuivere toerekening van de winst van een gebroken boekjaar aan de periode na 1 januari van dat boekjaar zou een afsluiting van de boekhouding per 31 december van het boekjaar vereisen en dat sluit niet aan bij de keuze van de belastingplichtige voor een gebroken boekjaar en stuit mede daarom op aanzienlijke uitvoeringstechnische bezwaren.
3.5. Gelet op het hiervoor in 3.4 overwogene en in aanmerking genomen dat het in het onderhavige geval gaat om een relatief geringe tariefsmatiging, moet worden geoordeeld dat de wetgever, door af te zien van een regeling waardoor ten aanzien van belastingplichtigen met een gebroken boekjaar de tariefswijziging zou gaan gelden voor door hen vanaf 1 januari 2002 behaalde winst, de grenzen van de hem onder de werking van het IVBPR en het EVRM toekomende beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden. Het middel slaagt mitsdien in zoverre. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, en
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2009.