ECLI:NL:HR:2009:BC9544
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over toerekening intracommunautair vervoer bij opeenvolgende leveringen
In deze zaak gaat het om naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd aan A B.V., later X B.V., vanwege leveringen van goederen aan Belgische kopers met toepassing van het nultarief. De Inspecteur stelde dat het nultarief onterecht was toegepast omdat het vervoer van de goederen naar België niet aan de leveringen door X B.V. kon worden toegerekend, maar aan de daaropvolgende leveringen door de kopers aan een derde partij in België.
Het Hof oordeelde dat het vervoer inderdaad moest worden toegerekend aan de leveringen door de kopers aan de derde partij, waardoor het nultarief niet terecht was toegepast door X B.V. Dit leidde tot naheffingsaanslagen die deels werden verminderd. X B.V. stelde dat het vervoer aan haar leveringen moest worden toegerekend en dat het nultarief terecht was toegepast.
De Hoge Raad constateert dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in een eerder arrest heeft bepaald dat het intracommunautaire vervoer aan één van de twee opeenvolgende leveringen moet worden toegerekend, maar niet heeft aangegeven hoe die toerekening moet plaatsvinden. Daarom verzoekt de Hoge Raad het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de wijze van toerekening van het intracommunautaire vervoer wanneer de koper bij de eerste levering tevens verkoper is bij de tweede levering.
De Hoge Raad schorst het geding en houdt verdere beslissing aan totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan over deze vraag.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de toerekening van intracommunautair vervoer bij opeenvolgende leveringen.