ECLI:NL:HR:2009:BG3503
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens niet tijdig indienen middelen van cassatie
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2006. Namens verdachte diende mr. W.J.C. Piet een schriftuur in met middelen van cassatie. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte omdat niet voldaan was aan het vereiste van tijdige indiening.
De Hoge Raad nam kennis van het schriftelijk commentaar van mr. G.J. Woodrow op de conclusie van de Advocaat-Generaal. Bij de beoordeling stelde de Hoge Raad vast dat alleen middelen van cassatie die een duidelijke klacht bevatten over rechtsregel- of vormvoorschriftenschending in aanmerking komen. De ingediende klachten voldeden niet aan deze vereisten en bleven daarom onbesproken.
Belangrijker was dat de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn een schriftuur met middelen van cassatie had ingediend, zoals vereist in art. 437, tweede lid, Sv. Hierdoor kon de verdachte niet worden ontvangen in het cassatieberoep. De Hoge Raad verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk en wees het beroep af.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van middelen van cassatie.