3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerster] is met ingang van 1 oktober 1999 in de functie van medisch secretaresse in dienst getreden van Isala. Zij is werkzaam geweest als secretaresse van gastro-enteroloog [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). [Betrokkene 1] werkt in maatschapsverband samen met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]).
(ii) [Verweerster] lijdt al van (ver) vóór haar indiensttreding bij Isala aan astma op basis van hyperreactiviteit en allergie.
(iii) De artsen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren (in ieder geval in de periode van 1 oktober 1999 tot 1 juli 2000) - zeer - stevige rokers.
(iv) De werkplek van [verweerster] op de afdeling gastro-enterologie was in beginsel de (centraal gelegen) ruimte die door drie secretaresses werd gedeeld. Deze ruimte had twee toegangsdeuren met daartussen de balie die door middel van een schuifruit werd afgesloten. De secretaresseruimte was voorzien van ramen die konden worden opengezet.
Aan de kopse kanten van de secretaresseruimte bevond zich aan één zijde een toegangsdeur tot de spreek-/werkkamer van [betrokkene 1]. Via deze spreekkamer kon ook een onderzoekkamer worden bereikt. De werkkamer van [betrokkene 1] was voorzien van een raam dat kon worden opengezet en van twee mechanische ventilatiekanalen. Aan de andere kopse kant van de secretaresseruimte gaf een deur toegang tot een spreekkamer die door twee gastro-enterologen werd gebruikt. Via deze spreekkamer werd een achterliggende kamer bereikt die dienst deed als werkkamer van de beide gastro-enterologen. Ook al deze kamers waren voorzien van ramen die konden worden opengezet.
(v) [Verweerster] verrichtte haar werkzaamheden voornamelijk in de secretaressekamer. Haar collega-secretaresses rookten niet, althans niet in deze kamer maar in de werkkamer van [betrokkene 2]. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] rookten voornamelijk in hun werkkamer. In de praktijk kwam het voor dat de deur van de werkkamer van [betrokkene 1] naar de secretaressekamer openstond, terwijl [betrokkene 1] rookte. Ook kwam het voor dat [betrokkene 1] met een brandende sigaret naar het secretariaat liep om daar wat af te geven of te overleggen met zijn secretaresse. Zo handelde ook [betrokkene 2]. Voorts kwam het voor dat [verweerster] de werkkamer van [betrokkene 1] betrad terwijl hij rookte. [Betrokkene 1] verbleef zo'n 14,5 tot 18 uur per week op de afdeling gastro-enterologie. Tijdens de spreekuren werd niet gerookt. Ten slotte kwam het voor dat [verweerster] de kamer van [betrokkene 2] moest binnengaan terwijl daar stevig werd gerookt.
(vi) [Betrokkene 1] heeft eerst een aantal maanden na indiensttreding van [verweerster] kennis gekregen van het feit dat zij hinder ondervond van rook. Hij heeft toen toegezegd niet meer op het secretariaat te zullen roken. Hij heeft zich daaraan gehouden, hoewel hij incidenteel nog wel met een brandende sigaret vanuit zijn kamer de secretariaatskamer binnenging om iets te halen of te brengen of doorliep naar de ruimte van de collega-specialisten.
(vii) Op 1 juli 2000 is [verweerster] uitgevallen met hardnekkige benauwdheidsklachten. Van 24 juli tot en met 3 augustus 2000 is zij in verband met een exacerbatie (plotselinge verergering) van haar astma opgenomen geweest op de longafdeling van Isala Klinieken. In maart 2001 is zij wegens dyspnoe (kortademigheid, benauwdheid, bemoeilijkte ademhaling) nogmaals opgenomen geweest, terwijl zij van 9 januari 2002 tot 3 april 2002 opgenomen is geweest in het Nederlands Astmacentrum te Davos.
(viii) [Verweerster] is vanaf 3 juli 2001 volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO geacht. Op grond van de toepasselijke CAO ziekenhuizen heeft Isala gedurende de eerste twee ziektejaren het inkomen van [verweerster] gesuppleerd tot 100%. Isala heeft, na verkregen toestemming van het CWI, het dienstverband met [verweerster] met inachtneming van een opzegtermijn opgezegd per 1 april 2003.