ECLI:NL:HR:2009:BG5476
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens ontbreken geldige middelen
Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem met betrekking tot een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De schriftuur bevatte echter geen middelen van cassatie zoals wettelijk vereist. De Hoge Raad oordeelde dat alleen duidelijke en stellige klachten over rechtsregels of vormverzuimen als middelen kunnen gelden.
Daarnaast had betrokkene niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met middelen van cassatie via een raadsman ingediend, wat een vereiste is volgens art. 437 lid 2 juncto Pro art. 511h Sv. Hierdoor kon betrokkene niet ontvankelijk worden verklaard in het cassatieberoep.
De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. De Hoge Raad bevestigde dit en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, waarmee het cassatieberoep werd afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens ontbreken geldige middelen en niet tijdige indiening.