ECLI:NL:HR:2009:BG5586

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10566 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatieprocedure

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, in een strafzaak. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de strafoplegging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat sprake was van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad zelf pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed. Dit leidde niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, maar tot vermindering van de opgelegde taakstraf en vervangende hechtenis.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, waarbij het aantal uren taakstraf werd verminderd tot 108 uren en de vervangende hechtenis tot 54 dagen. Voor het overige werd het beroep verworpen. Daarnaast werden andere middelen van cassatie niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet voldeden aan de wettelijke vereisten.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 12 mei 2009.

Uitkomst: Vermindering van taakstraf tot 108 uren en vervangende hechtenis tot 54 dagen wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

12 mei 2009
Strafkamer
Nr. 07/10566 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 14 juni 2006, nummer 22/000269-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate waarin de Hoge Raad dat gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden en dat dit dient te leiden tot
niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
2.2. Het middel klaagt terecht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Overschrijding van de redelijke termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, doch moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
3. Beoordeling van het tweede middel
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De als middel aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
4. Beoordeling van de middelen voor het overige
Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat deze 108 uren bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 54 dagen beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 12 mei 2009.