ECLI:NL:HR:2009:BG6671
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM ondanks onconventionele tweede dagvaarding en vermindert straf wegens termijnoverschrijding
In deze cassatieprocedure stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) centraal vanwege het uitbrengen van een tweede dagvaarding (september-dagvaarding) terwijl de eerste dagvaarding (juni-dagvaarding) nog niet onherroepelijk was beslist. De verdachte stelde dat dit in strijd was met de wettelijke regels omtrent tenlastelegging en dat dit moest leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM of nietigheid van de dagvaarding.
Het Hof verwierp dit verweer omdat de tweede dagvaarding feitelijk de voorlopige dagvaarding verving en de verdachte en zijn raadsman duidelijk wisten tegen welke feiten hij werd vervolgd. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat hoewel de officier van justitie het wettelijke systeem van wijziging van tenlastelegging had genegeerd, het beoogde resultaat werd bereikt zonder dat de verdachte in zijn belangen was geschaad.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden door vertraging in de cassatiefase, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met vier jaren. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest alleen voor wat betreft de strafduur en beperkte de straf tot drie jaar en zeven maanden.
De overige klachten van de verdachte werden verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 17 maart 2009.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van het OM ondanks het uitbrengen van een tweede dagvaarding en vermindert de straf tot drie jaar en zeven maanden wegens termijnoverschrijding.