ECLI:NL:HR:2009:BG7754
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens bewijsrechtelijke en redelijke termijn kwesties bij behulpzaamheid bij zelfbevrijding
In deze zaak stond de verdachte terecht voor het opzettelijk behulpzaam zijn bij de zelfbevrijding van een gedetineerde, door het verschaffen van een wapen. De bewezenverklaring betrof het leveren van een wapen aan een gedetineerde die krachtens rechterlijke beschikking van vrijheid was beroofd, in de maand januari 2003 te Arnhem.
De verdediging stelde in cassatie dat voor een veroordeling op grond van artikel 191 Sr Pro vereist zou zijn dat de zelfbevrijding daadwerkelijk geslaagd moest zijn. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en verduidelijkte dat het delict zich richt op de voltooiing van de behulpzaamheid, ongeacht of de zelfbevrijding slaagde.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar naar drie jaar en tien maanden.
De overige middelen van cassatie werden verworpen, en de Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf. De zaak werd daarmee deels in het voordeel van de verdachte beslecht.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd naar drie jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de veroordeling voor behulpzaamheid bij zelfbevrijding werd bevestigd.