ECLI:NL:HR:2009:BG7754

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13221
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 191 SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens bewijsrechtelijke en redelijke termijn kwesties bij behulpzaamheid bij zelfbevrijding

In deze zaak stond de verdachte terecht voor het opzettelijk behulpzaam zijn bij de zelfbevrijding van een gedetineerde, door het verschaffen van een wapen. De bewezenverklaring betrof het leveren van een wapen aan een gedetineerde die krachtens rechterlijke beschikking van vrijheid was beroofd, in de maand januari 2003 te Arnhem.

De verdediging stelde in cassatie dat voor een veroordeling op grond van artikel 191 Sr Pro vereist zou zijn dat de zelfbevrijding daadwerkelijk geslaagd moest zijn. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en verduidelijkte dat het delict zich richt op de voltooiing van de behulpzaamheid, ongeacht of de zelfbevrijding slaagde.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar naar drie jaar en tien maanden.

De overige middelen van cassatie werden verworpen, en de Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf. De zaak werd daarmee deels in het voordeel van de verdachte beslecht.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd naar drie jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de veroordeling voor behulpzaamheid bij zelfbevrijding werd bevestigd.

Uitspraak

12 mei 2009
Strafkamer
nr. S 07/13221
LF
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 1 november 2007, nummer 21/002329-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen, locatie Esserheem" te Veenhuizen.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vijfde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij in de maand januari 2003, te Arnhem opzettelijk [verdachte S.], die krachtens rechterlijke beschikking van de vrijheid was beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam is geweest door opzettelijk een wapen te verschaffen aan [verdachte S.] en/of aan
[gedetineerde J.]."
3.3. Art. 191 Sr Pro luidt:
"Hij die opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid berooft, bevrijdt of bij zijn zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie."
3.4. De wetsgeschiedenis houdt onder meer het volgende in:
"Met de meeste nieuwere wetgevingen is de ontvlugting van gevangenen (zelfbevrijding) straffeloos te achten, en alzoo ook waar zij door middel van braak of geweld geschiedt, niet als delictum sui generis aan te merken, onverminderd de strafbaarheid van deze of andere middelen ter ontvluchting in geval zij, als wederspannigheid, mishandeling, beschadiging van goederen of eenig ander misdrijf, in de termen van de strafwet vallen.
Zoodra echter iemand van staatswege en op grond der bevelen van het bevoegd gezag van de vrijheid is beroofd, rust op ieder ander de verpligting om dien persoon niet te bevrijden noch bij zijne ontvlugting de behulpzame hand te leenen, en deze verplichting is van zooveel gewigt, dat hare nakoming door eene strafbepaling behoort te worden verzekerd."
(H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1881, p. 192)
3.5. Het middel berust op de opvatting dat voor een veroordeling ter zake van het delict van art. 191 Sr Pro is vereist dat komt vast te staan dat de "zelfbevrijding" is geslaagd. Die opvatting is echter onjuist omdat, in een geval als het onderhavige, blijkens de bewoordingen van de delictsomschrijving in het bijzonder van belang is dat de behulpzaamheid is voltooid, terwijl noch uit die delictsomschrijving noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat daarbij de zelfbevrijding zou moeten zijn geslaagd.
3.6. Het middel faalt.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 mei 2009.