Conclusie
Nummer20/00935
Het cassatieberoep
De zaak
Feitelijke vaststellingen van het hof
De rol van de verdachte
De middelen
eerste middelbetreft de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde en bevat de klacht dat het hof niet heeft voldaan aan de eisen die aan een bewijsmotivering zijn te stellen, omdat de redengevend geachte inhoud van de bewijsmiddelen niet uit de bewijsmiddelenbijlage kan volgen.
tweede middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de onder 2 bewezen verklaarde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op de voltooiing van de voorgenomen bevrijding van [betrokkene 1] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het oordeel van het hof dat sprake was van een begin van uitvoering van die bevrijding, mede in verband met een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer, ontoereikend is gemotiveerd.
- ter voorbereiding van de bevrijding eind juli 2017 een woning ([a-straat 1] te Amsterdam) huren;
- die woning in elk geval gebruiken om kraaienpoten te vervaardigen, de (hijs)constructie met autobanden en touwen te maken om de gevangene van de luchtplaats te takelen en de helikopterpiloot tijdelijk onder te brengen;
- het in september 2017 uit Colombia laten overkomen van deze helikopterpiloot;
- het meermalen organiseren van ontmoetingen met de helikopterpiloot en hem instructies geven over de uitvoering van de kaping en bevrijding;
- het huren van een helikopter voor vier passagiers en het afspreken van een vertreklocatie en tussenlandingslocatie;
- het (tweemaal) gezamenlijk overnachten in een nabij de vertreklocatie van de helikopter gelegen hotel;
- het organiseren van gestolen (vlucht)auto’s met valse kentekenplaten;
- het afleveren van de zogenaamde huurder van de helikopter bij de vertrekplaats;
- het wachten op de komst van de helikopter op de tussenlandingslocatie in een auto met daarin wapens, de Colombiaanse helikopterpiloot en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen);
- het gedurende de uitvoering van deze bevrijdingsactie onderling telefonisch overleg voeren over het vertrekmoment van de helikopter in verband met de luchttijd van de gevangene;
- het telefonisch contact onderhouden met de gevangene zelf rond het tijdstip van zijn geplande bevrijding;
- het nabij de P.I. Roermond wachten in een (vlucht)auto met daarin ook een wapen en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen).
- Een belangrijk deel van de hier opgesomde feiten en omstandigheden is ook omschreven in de tenlastelegging en kan zodoende bewezen worden.
NJ2011/358. In die zaak was het medeplegen van een poging tot diefstal met geweld aan de orde. Het hof had vastgesteld dat de verdachte met drie anderen met de auto naar een woning was gereden ter uitvoering van het voornemen om uit die woning geld of goederen weg te nemen. Zij hadden daartoe een PTT-jas, walkietalkies en een doos meegenomen. Een van de verdachten had de PTT-jas aangedaan en was naar de woning gelopen terwijl hij een doos met daarin het elektrisch wapen bij zich had en bij de woning niets anders te zoeken had. Deze vaststellingen konden het oordeel van het hof dat sprake was van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf dragen. Daaraan stond de omstandigheid dat het wapen zich in de doos bevond niet in de weg, al had een goede waarnemer daardoor ook in die situatie ter plaatse het nakijken gehad, terwijl die waarnemer evenmin kon beoordelen of de verdachte bij die woning iets anders “te zoeken had”. [17]
NJ2012/517, m.nt. Keijzer. In die zaak was de verdachte in het Almelose stadhuis met twee geladen pistolen in zijn handen op zoek gegaan naar een bepaalde wethouder. Hij had daar vijf personen urenlang gegijzeld opdat de wethouder zou komen. De verdachte had tegen medewerkers van de gemeente meermalen gezegd dat hij de wethouder wilde doden. De veroordeling wegens poging tot moord bleef in cassatie in stand. De voltooide gijzeling was in dit verband een tussenstap op weg naar de voltooiing van de voorgenomen moord.
NJ1987/276. [24] In die zaak ging het om poging tot het binnen het grondgebied brengen van verdovende middelen, met als bewezen verklaarde uitvoeringshandelingen het kopen van een personenauto, het met die auto naar Turkije rijden, het vervolgens in handen van een ander spelen van die auto, de retourvlucht van de één per vliegtuig en de terugreis van de ander per auto met heroïne. Meijers stelde in zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest: “Juist bij een langetermijnoperatie als een in Nederland opgezet heroïnetransport van Turkije naar Nederland zal de feitenrechter het begin van uitvoering al in een vroeg stadium van het handelen kunnen aannemen.” In een recentere zaak ging het eveneens om een poging tot invoer van verdovende middelen, door twee stellen met het gezamenlijke plan om in twee van een dubbele bodem voorziene auto’s naar Marokko te rijden om hasjiesj op te halen. De verdachte besloot niet terug te rijden naar Nederland toen zij vermoedde dat het andere stel was aangehouden in Nederland, maar zonder de middelen terug te vliegen. Volgens het hof had de verdachte zich niettemin schuldig gemaakt aan een strafbare poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hasjiesj op het moment dat de verdachte met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko vertrok. De Hoge Raad casseerde omdat het dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk achtte, mede gelet op de omstandigheid dat van de overige bewezen verklaarde gedragingen niet kon worden gezegd dat deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm reeds “in voldoende concrete mate” gericht waren op de voltooiing van de invoer in Nederland van hasjiesj. [25]
NJ2016/318 daadwerkelijk sprake is van een aanscherping van het Cito-criterium, kan nog niet met zekerheid worden gezegd. In een recent arrest waarin de Hoge Raad casseert, volstaat de Hoge Raad – zonder verwijzing naar het Cito-criterium – met de overweging dat het oordeel van het hof dat sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van cocaïne niet zonder meer begrijpelijk is. [28]
NJ2015/403 de wenselijkheid onderstreept dat de Hoge Raad meer aandacht besteedt aan de afbakening van het begrip ‘begin van uitvoering’, bijvoorbeeld door daarvoor relevante factoren te noemen.
gerichtheidop die voltooiing heeft in dit verband weinig onderscheidende betekenis. Het gaat om de nabijheid van de verwerkelijking van het misdrijf. Er moet sprake zijn van een situatie waarin de gedragingen zijn gericht op dadelijke realisering van de voltooiing van het misdrijf. In minder statige, aan de Duitse jurisprudentie ontleende bewoordingen, kan het momentum worden omschreven als: ‘jetzt geht es los’. [31] Oftewel: de gedragingen zullen in voldoende concrete mate, rechtstreeks moeten zijn gericht op een prompte verwerkelijking van het misdrijf.
NJ1984/375 had de verdachte het voornemen opgevat een gedetineerde te bevrijden. Daartoe had hij een gat in de omheining of afrastering van het omliggende terrein geknipt. Vervolgens had hij een raam, waarachter zich de cel van de gedetineerde bevond, met een schroevendraaier, een sloopbeitel en/of ander gereedschap gedeeltelijk losgeschroefd en beschadigd en daaraan gewrikt. Het wekt geen verwondering dat deze gedragingen een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf van art. 191 Sr Pro opleverden.