ECLI:NL:HR:2009:BG9157

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10244
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis Hoge Raad inzake poging diefstal met braak en strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem inzake poging diefstal met braak. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte samen met anderen met een auto de toegang tot een winkel probeerde te verschaffen door braak, gericht op het wegnemen van goederen, maar het misdrijf was niet voltooid.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof een juiste rechtsopvatting had door de gedragingen van verdachte als begin van uitvoering van het misdrijf aan te merken. De vastgestelde feiten, waaronder het rijden met gedoofde lichten naar de toegangsdeur en het uitstappen van twee personen, waren voldoende om dit te onderbouwen.

Hoewel het cassatieberoep in zoverre werd verworpen, vernietigde de Hoge Raad het vonnis ambtshalve vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden tot drie maanden en drie weken.

De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 3 maart 2009.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot drie maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.

Uitspraak

3 maart 2009
Strafkamer
nr. 07/10244
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 4 december 2006, nummer 21/002624-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de
Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel is onder meer gericht tegen het oordeel van het Hof dat er wat betreft feit 2 een begin van uitvoering was van diefstal met braak.
2.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij omstreeks 13 maart 2006 te Millingen aan de Rijn, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkel ([A], gevestigd aan de [a-straat 1]) weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [A]/[...], en zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met verdachtes mededaders met een (personen) auto (op aanwijzing van verdachte of een van verdachtes mededaders) in de richting van de toegangsdeuren van die winkel zijn gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
2.3. De bewezenverklaring steunt op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.3 samengevat en weergegeven bewijsmiddelen.
2.4. Het Hof heeft omtrent de bewezenverklaring nog het volgende overwogen:
"De bewezenverklaarde gedraging van verdachte is naar haar uiterlijke verschijningsvorm (...) gericht op de voltooiing van de diefstal."
2.5. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat een auto omstreeks 3.40 uur met gedoofde lichten het parkeerterrein van de supermarkt [A] opreed, dat twee personen uitstapten, dat die personen naar een van de toegangsdeuren van de supermarkt liepen, dat de auto achterwaarts in de richting van die deur reed op aanwijzing van een van die personen, dat de twee personen aan de kant gingen staan toen de auto nog slechts twee of drie meter van de toegangsdeur verwijderd was, dat op dat moment in de woning naast de supermarkt een licht aanging, dat de twee personen schrokken, iets naar de bestuurder riepen en snel instapten, waarna de auto met gedoofde lichten met hoge snelheid wegreed.
2.6. Gelet op deze vaststellingen geeft het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
2.7. De klacht faalt.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en drie weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 3 maart 2009.