ECLI:NL:HR:2009:BG9624

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03840 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 56 SrArt. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 1995, waarbij de aanvrager was vrijgesproken van een tenlastelegging en veroordeeld voor valsheid in geschrift, opzettelijk gebruik van vals geschrift en opzetheling. De Hoge Raad vernietigde in 1996 delen van het arrest en herkwalificeerde de bewezenverklaarde feiten.

In 2008 diende de aanvrager een verzoek tot herziening in op grond van vermeende nieuwe feiten. De Hoge Raad beoordeelde dit verzoek aan de hand van de wettelijke criteria uit artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering, die eisen dat het verzoek steunt op nieuwe, bij de terechtzitting niet bekende feiten die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of toepassing van een lichtere straf zou hebben geleid.

De Hoge Raad oordeelde dat de aanvrage niet voldeed aan deze criteria omdat de gestelde omstandigheden niet als nieuwe feiten konden worden aangemerkt. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest bevestigt de strenge voorwaarden voor herziening van strafrechtelijke uitspraken en benadrukt het belang van het aanleveren van concrete nieuwe bewijsmiddelen.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

13 januari 2009
Strafkamer
nr. 08/03840 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 januari 1995, nummer 22/001776-94, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 2 augustus 1994 - de aanvrager vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 4 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van
1. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd",
2. "opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" en 3. "opzetheling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden.
1.2. Bij arrest van 27 februari 1996 heeft de Hoge Raad voormeld arrest van het Hof vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde gegeven vrijspraak, de door het Hof aan de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten gegeven kwalificatie en de niet-vermelding van art. 56 Sr Pro als bepaling waarop de strafoplegging mede berust en verstaan dat het onder 4 tenlastegelegde niet aan het oordeel van het Hof was onderworpen. De Hoge Raad heeft de onder 1 sub h bewezenverklaarde feiten, voor zover zij betrekking hebben op de in de bewezenverklaring onder 2 genoemde cheques en de onder 2 bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als:
"de voortgezette handeling van valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" en de overige onder 1 bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als: "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en tevens art. 56 Sr Pro vermeld als bepaling waarop de strafoplegging mede berust en het beroep voor het overige verworpen.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Bij de Hoge Raad is op 18 november 2008 nog een brief van de aanvrager van 12 november 2008 binnengekomen.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 januari 2009.