ECLI:NL:HR:2009:BH0624
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling cassatieberoep inzake toepassing Werkloosheidswet artikel 129d lid 1
Belanghebbende was volgens een besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet verzekerd op grond van de WW. Dit besluit werd in bezwaar en bij de Rechtbank Middelburg ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
In cassatie werd betoogd dat de WW onjuist was toegepast. Artikel 129d, lid 1, van de WW maakt cassatie mogelijk tegen schending of verkeerde toepassing van bepaalde artikelen van de WW, maar deze bepaling geldt pas vanaf 1 januari 2006. De Centrale Raad paste het recht toe zoals dat in 2004 gold, hetgeen niet ter discussie stond.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kan leiden omdat het ziet op schending van de WW onder de versie die sinds 2006 geldt, terwijl de zaak zich afspeelt onder de oudere regeling. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard omdat het middel ziet op de WW zoals die sinds 2006 geldt, terwijl de zaak betrekking heeft op 2004.