ECLI:NL:HR:2009:BH2198
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van verdachte wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen
Op 7 juli 2009 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 juli 2007. De verdachte heeft het beroep ingesteld, maar heeft niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman middelen van cassatie ingediend.
De waarnemend Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad heeft dit oordeel gevolgd en het beroep van verdachte niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president F.H. Koster, met raadsheren J.W. Ilsink en M.A. Loth, en griffier J.D.M. Hart. Hiermee is het cassatieberoep van verdachte afgewezen wegens niet-naleving van de termijnvoorschriften.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.