ECLI:NL:HR:2009:BH3084
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsbijstand bij politieverhoor en bewijsuitsluiting op grond van art. 6 EVRM
In deze zaak staat centraal de vraag welke gevolgen verbonden moeten worden aan het ontbreken van voorafgaande raadpleging van een advocaat door een verdachte tijdens een politieverhoor, in het licht van art. 6 EVRM Pro en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De verdachte klaagde dat het hof ten onrechte een verklaring die hij had afgelegd zonder voorafgaande advocaatbijstand bij de bewijsvoering had betrokken. De Hoge Raad stelt vast dat deze klacht niet aan het hof is voorgelegd, waardoor het middel niet ontvankelijk is omdat het een feitelijke beoordeling vereist die niet in cassatie kan worden gedaan.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de relevante EHRM-jurisprudentie, waaronder de zaak Salduz tegen Turkije, waarin is vastgesteld dat de verdachte recht heeft op toegang tot een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor, tenzij uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand is gedaan of er dwingende redenen zijn. Ontbreken van deze toegang leidt in principe tot bewijsuitsluiting van verklaringen afgelegd zonder advocaat.
De Hoge Raad benadrukt dat het opstellen van een algemene regeling voor rechtsbijstand bij politieverhoor niet tot zijn taak behoort, maar dat strafrechters in individuele gevallen de rechtspraak van het EHRM moeten toepassen. Het beroep van de verdachte wordt verworpen omdat het verweer niet eerder is ingebracht en dus niet in cassatie kan worden beoordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het verweer omtrent het ontbreken van advocaatbijstand niet aan het hof is voorgelegd.