ECLI:NL:HR:2010:BK5619

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/05244
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling Salduz-verweer inzake recht op advocaat voorafgaand aan politieverhoor

In deze strafzaak stelde verdachte in cassatie een Salduz-verweer aan de orde, waarbij werd geklaagd dat het hof ten onrechte een verklaring van verdachte, afgelegd zonder voorafgaand recht op advocaat, als bewijs had gebruikt. Het hof had deze klacht niet eerder beoordeeld omdat het verweer niet aan het hof was voorgelegd.

De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke klacht niet voor het eerst in cassatie kan worden ingebracht omdat dit een beoordeling van feitelijke aard vereist. Het arrest verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin dit standpunt is bevestigd.

De Hoge Raad verwierp daarom het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof. Hiermee werd het belang van het recht op een eerlijk proces en het juiste moment van het aanvoeren van verweren benadrukt.

De uitspraak onderstreept het belang van het tijdig aanvoeren van verweren in de procedure en bevestigt dat de Hoge Raad geen feitelijke beoordeling verricht. Dit arrest is van belang voor de toepassing van het Salduz-arrest in de Nederlandse strafrechtspraak.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het Salduz-verweer niet eerder aan het hof was voorgelegd.

Uitspraak

26 januari 2010
Strafkamer
nr. 08/05244
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 juni 2008, nummer 21/000130-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd de Penitentiaire Inrichting "Achterhoek, locatie Ooyerhoek" te Zutphen.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. B.P. de Boer en mr. A.J. van der Velden, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof - in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro - de verklaring die de verdachte op 27 augustus 2007 bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken.
2.2. Uit de stukken blijkt niet dat deze klacht aan het Hof is voorgelegd. Zo een verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3084, NJ 2009, 351).
2.3. Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 januari 2010.