ECLI:NL:HR:2009:BH6531

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11245
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen algemene zorgplicht bank bij valsheid cheque ten behoeve van derden

Eiseres vorderde bij de rechtbank Amsterdam betaling van een bedrag van € 34.329,24 van ABN Amro en Fortis Bank, stellende dat zij schade had geleden door het incasseren van een valscheque. De rechtbank wees de vordering tegen Fortis af en later ook tegen ABN Amro. Eiseres stelde hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam, dat de vonnissen van de rechtbank bekrachtigde.

Daarop stelde eiseres beroep in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad overwoog dat de klachten van eiseres geen cassatiegronden opleveren en dat de bank geen algemene zorgplicht heeft om de echtheid van cheques die ter incasso worden aangeboden te onderzoeken ten behoeve van derden. Deze overwegingen behoeven geen nadere motivering omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiseres in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft de afwijzing van de vordering tegen ABN Amro in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de bank geen algemene zorgplicht heeft om valsheid van cheques te onderzoeken.

Uitspraak

15 mei 2009
Eerste Kamer
07/11245
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en ABN Amro.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiseres] heeft bij exploot van 17 maart 2003 ABN Amro en Fortis Bank (Nederland) N.V. (hierna: Fortis) gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, ABN Amro en Fortis hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 34.329,24, met rente en kosten.
ABN Amro en Fortis hebben de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 4 mei 2005 de vordering tegen Fortis afgewezen en voorts een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 1 maart 2006 heeft de rechtbank de vordering tegen ABN Amro afgewezen.
Tegen beide vonnissen van de rechtbank heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 3 mei 2007 heeft het hof de bestreden vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
ABN Amro heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 27 maart 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN Amro begroot op € 1101,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 mei 2009.