ECLI:NL:HR:2009:BH8472

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10467
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenArt. 14c SrArt. 361a SvArt. 412 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat dagvaarding in hoger beroep geen vermelding hoeft te bevatten over tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin de verdachte was veroordeeld voor een overtreding van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM).

Het vonnis van de Kantonrechter bevatte tevens beslissingen over drie vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden. De verdachte stelde in cassatie dat de dagvaarding in hoger beroep expliciet had moeten vermelden dat het onderzoek zich ook zou uitstrekken tot deze vorderingen tot tenuitvoerlegging.

De Hoge Raad verwierp dit middel en stelde dat noch artikel 412 Sv Pro noch enige andere wettelijke bepaling voorschrijft dat de dagvaarding in hoger beroep een dergelijke vermelding moet bevatten. De tenuitvoerleggingsbeslissing maakt integraal deel uit van het vonnis in de hoofdzaak, en het hoger beroep ziet op het vonnis in zijn geheel.

Daarom moet het onderzoek in hoger beroep zich ook uitstrekken tot de vorderingen tot tenuitvoerlegging, zodat er geen onzekerheid bij de verdachte kan bestaan. Het beroep werd verworpen en het arrest van het Hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de dagvaarding in hoger beroep geen specifieke vermelding behoeft over tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

Uitspraak

2 juni 2009
Strafkamer
nr. 07/10467
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 mei 2007, nummer 20/004522-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging.
2.2. Bij vonnis van de Kantonrechter is de verdachte veroordeeld ter zake van overtreding van art. 30, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Tevens houdt dat vonnis op de voet van art. 361a Sv beslissingen in op een drietal vorderingen van de Officier van Justitie tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde als bedoeld in art. 14c, eerste lid, Sr. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat ingeval tegen een zodanig vonnis hoger beroep is ingesteld, de dagvaarding in hoger beroep moet vermelden dat het onderzoek in hoger beroep zich ook zal uitstrekken tot de in eerste aanleg gedane vordering(en) tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf.
Die opvatting is onjuist omdat een dergelijke vermelding noch in art. 412 Sv Pro noch in enige andere bepaling is voorgeschreven. Voor een dergelijke vermelding bestaat ook geen grond. Een in eerste aanleg gegeven beslissing tot tenuitvoerlegging als waarvan hier sprake is, maakt immers deel uit van het vonnis in de hoofdzaak, terwijl het hoger beroep slechts tegen die uitspraak in zijn geheel kan worden ingesteld. Dat brengt mee dat het onderzoek in hoger beroep zich ook zal moeten uitstrekken tot de vordering tot tenuitvoerlegging, zodat daaromtrent bij de verdachte geen onzekerheid kan
bestaan.
2.3. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 2 juni 2009.