ECLI:NL:HR:2009:BH9154

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12757
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen en wettelijke rente in verbintenissenrecht

In deze zaak vorderde verweerder betaling van een bedrag van €23.790,91 vermeerderd met contractuele vertragingsrente van 2% per maand over een deel van dit bedrag. Eiser bestreed deze vordering. De rechtbank veroordeelde eiser tot betaling van een lager bedrag met wettelijke rente. Eiser ging in hoger beroep bij het hof Arnhem dat het vonnis van de rechtbank vernietigde en eiser veroordeelde tot betaling van een nog lager bedrag met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen de arresten van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van verweerder nihil werden begroot. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 5 juni 2009.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot betaling van €5.684,45 met wettelijke rente.

Uitspraak

5 juni 2009
Eerste Kamer
07/12757
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
[Verweerder], h.o.d.n. [A],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerder] heeft bij exploot van 16 maart 2004 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Almelo en gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 23.790,91, vermeerderd met de contractuele vertragingsrente ad 2% per maand over € 20.687,75.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na een tussenvonnis van 12 mei 2004, bij eindvonnis van 15 september 2004 [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 17.201,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 16.421,80.
Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Na het wijzen van twee tussenarresten op 18 juli 2006 en 13 maart 2007, heeft het hof bij eindarrest van 12 juni 2007 het vonnis van de rechtbank van 15 september 2004 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 5.684,45, met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2004.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van 13 maart 2007 en 12 juni 2007 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 3 april 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 juni 2009.